reflecties op literatuur
reflecties op literatuur
Twee manieren om de doden te horen
David Harsent en Matthew Brenneman aan dezelfde rand
Salon Nieuw-Zuid · Finisterre · 2 maart 2026
Twee manieren om de doden te horen. Harsent hoort ze in de lucht, in de kreten van meeuwen boven een landtong tussen twee zeeën. Brenneman hoort ze niet — hij staat op dezelfde rand en voelt in de plaats daarvan iets wat hij niet verwachtte: vreugde. Beide gedichten heten Finisterre. Beide zijn waar.
I — Harsent: Terra Nada
Het gedicht opent met geografie als vonnis. Een smal schiereiland tussen twee zeeën — aan de zuidkust slaat de ene zee, aan de noordkust de andere. Zeelieden en vreemdelingen noemen het Finisterre, of soms Terra Nada. De aarde van niets. De naam die zeelieden gaven aan een plek die al een naam had, zegt alles over wat zij er zagen.
That slim isthmus where one sea beats on the southern shore,
another sea at the northern, is called by sailors and strangers Finisterre
or, sometimes, Terra Nada.
Dat smalle schiereiland waar de ene zee klopt op de zuidkust,
een andere zee in het noorden, wordt door zeelieden en vreemdelingen Finisterre genoemd
of soms Terra Nada.
Terra Nada. Een naam die de plek definieert als afwezigheid — niet als einde, niet als rand, maar als niets. De zeeman die dit zei gaf de plek geen naam maar een oordeel. En in dat oordeel ligt al het hele gedicht: dit is de plek waar iets ophoudt te bestaan.
Op die plek stierven vierhonderd mensen. Harsent noemt ze niet bij naam — hij noemt ze bij hun verlies:
four hundred were run to ground,
motherless sons, widowers, the orphans of orphans,
their gear tossed on the tide or lost to the offshore wind.
werden vierhonderd mensen tot stilstand gedreven,
zonen zonder moeders, weduwnaren, de wezen van wezen,
hun uitrusting op het tij gegooid of verloren aan de wind van de kust.
Motherless sons. Widowers. The orphans of orphans. Mensen die al eerder alles verloren hadden, en nu dit ook nog. Hun bezittingen drijven weg. Het enige wat overblijft is de naam van de plek: Terra Nada. Niets.
Dan een regel die als een deur dichtvalt:
So much for gyromancy, so much for prayer.
Zo veel voor de gyromantie, zo veel voor het gebed.
Gyromantie is waarzeggerij door cirkels te draaien — een oud ritueel van weten wat komt. Gebed is spreken tot wat groter is dan jijzelf. Beide hebben gefaald. So much for — de Engelse uitdrukking van wegvegen, van: het heeft niets geholpen, het heeft niets betekend. Harsent zegt dit droog, zonder commentaar. De droogheid is het oordeel.
De volgende ochtend keren de levenden terug. Het weer is helder. Ze vormen een kring:
We went there next morning, the weather holding clear,
and made a ring, the faint-hearted hand-in-glove with the blind.
We gingen er de volgende ochtend heen, het weer bleef helder,
en maakten een kring, de banghartige hand in hand met de blinde.
De kring is merkwaardig samengesteld: the faint-hearted hand-in-glove with the blind — de banghartige zij aan zij met de blinde. Niet de sterken, niet de dapperen. De mensen die niet durven en de mensen die niet kunnen zien. En toch vormen ze samen de kring. De gemeenschap die Harsent hier beschrijft is niet gebouwd op moed of helderheid maar op gedeelde onmacht.
Dan hoort een vrouw iets:
It wasn't long before one of the women claimed to hear
a difference in the gulls' cries, something raw,
full-throated, a note so thick with fear
it took her breath and brought her to her knees.
Het duurde niet lang voor een van de vrouwen beweerde te horen
een verschil in de kreten van de meeuwen, iets rauw,
volkeels, een noot zo dik van angst
dat ze haar adem benam en haar op haar knieën bracht.
Claimed to hear. Ze beweert te horen. Harsent kiest dit woord met chirurgische precisie. Niet: ze hoorde. Ze beweerde te horen. De twijfel is ingebakken in de grammatica. Maar de vrouw valt op haar knieën. Wat haar lichaam doet is niet twijfelachtig — haar lichaam gelooft het volkomen. Alleen de verteller houdt afstand.
En dan verspreidt het zich:
The air was full of it then — everyone heard it clear,
or said they did, and stood in awe
to be there as the legend rose and formed,
the skirl of the dead in our ears, their silt still on the sand.
De lucht was er vol van toen — iedereen hoorde het duidelijk,
of zei het te horen, en stond in ontzag
om er te zijn terwijl de legende rees en zich vormde,
het gedraai van de doden in onze oren, hun slib nog op het zand.
Or said they did. Opnieuw die twijfel, opnieuw die dubbele bodem. De legende rijst en vormt zich — rose and formed — actief, als iets wat leeft. Maar wie maakt haar? De doden die spreken, of de levenden die de doden nodig hebben? Harsent geeft geen antwoord. Zijn laatste beeld is their silt still on the sand — hun slib nog op het zand. Het enige wat zeker is, is het materiële spoor. De rest is wat de kring erin hoort.
II — Brenneman: de oude man op het winterstrand
Matthew Brenneman schreef Marco Polo at Finisterre in 2000, gepubliceerd in Poetry Magazine. Het is een sonnet — veertien regels, rijm, een vorm die orde oplegt aan wat het gedicht beschrijft. Die keuze is niet neutraal: een man aan het einde van de wereld, en de dichter kiest de meest beheersbare vorm die de traditie kent.
Marco Polo staat op een winterstrand. Hij is oud. Hij heeft alles gedaan wat een mens kan doen — continenten gekruist, landen ontdekt die niemand geloofde te bestaan. Hij droeg zijn hele leven een verdriet mee dat Brenneman beschrijft als:
lost in caverns of some atavistic grief
He'd carried with him since he was a boy
verloren in grotten van oeroud verdriet
dat hij bij zich droeg sinds hij een jongen was
Atavistisch verdriet — verdriet dat ouder is dan de persoon die het draagt, dat teruggaat tot voor het bewustzijn. Brenneman geeft Marco Polo niet zomaar een biografie maar een wond die hij niet zelf heeft opgelopen. Hij heeft ze meegekregen. En hij heeft ze zijn hele leven meegedragen, door alle continenten, door alle ontdekkingen.
Nu staat hij aan het einde. Hij zou moe moeten zijn. En dan:
For all the years, he should be weary now.
How then could he explain this welling joy,
An old man on a wintry beach?
Na al die jaren zou hij nu moe moeten zijn.
Hoe kon hij dan deze opwellende vreugde verklaren,
een oude man op een winterstrand?
This welling joy — de vreugde welt op, ze komt van onder, ze kiest hem niet. Ze is niet verdiend, niet logisch, niet verklaarbaar. Ze overkomt hem. En Brenneman vraagt dit niet retorisch — de vraag staat echt open. Hoe kon hij dit verklaren? Het gedicht geeft geen verklaring. Het geeft alleen de vreugde zelf.
Wat de vreugde meebrengt is een ander soort horizon:
Or how it seemed the wind bore perfumes of a whole
New wilderness, a lush and green Brazil
Over the dim horizon of his soul,
Farther than memory, beyond his will
Of hoe het leek alsof de wind geuren droeg van een heel
nieuwe wildernis, een weelderig groen Brazilië
over de sombere horizon van zijn ziel,
verder dan het geheugen, voorbij zijn wil
Farther than memory, beyond his will. Voorbij het geheugen, voorbij de wil. De vreugde reikt verder dan wat Marco Polo kan onthouden en verder dan wat hij kan beslissen. Ze is groter dan zijn biografie. Het Brazilië dat de wind draagt is geen werkelijke bestemming — het is de naam die Brenneman geeft aan wat voorbij de rand bestaat voor wie het kan voelen: een onontdekte wildernis, groen en weelderig, aan de horizon van de ziel.
En het gedicht sluit met een geluid — the twilight songs of bird to hidden bird — de schemerliederen van vogel tot verborgen vogel. Niet de doden die spreken. De levenden die zingen tot wat nog niet zichtbaar is.
III — Spiegels
Harsent en Brenneman staan aan dezelfde rand. Ze gebruiken dezelfde naam. Ze schrijven in dezelfde taal. En toch lijken hun gedichten elkaars spiegelbeeld.
Bij Harsent zijn de doden aanwezig als geluid — in de meeuwen, in de lucht, in de kring van de levenden die luistert. De gemeenschap vormt zich rond wat ze hoort of zegt te horen. De twijfel is ingebakken: de legende rijst, maar wie laat haar rijzen? De doden of de levenden? Het slib op het zand is het enige harde bewijs. De rest is wat de kring erin hoort.
Bij Brenneman is er geen kring, geen collectief, geen doden die spreken. Er is één oude man en een vreugde die hij niet kan verklaren. De rand is niet de plek van het trauma maar de plek waar het atavistische verdriet — ouder dan hijzelf — eindelijk iets anders ontmoet. Iets wat verder reikt dan het geheugen.
Harsent: de rand als de plek waar gemeenschap zich vormt rond gedeelde twijfel.
Brenneman: de rand als de plek waar de ziel verder reikt dan de biografie.
Naast Plath en Whyte vormen ze een vierluik over wat de rand van de wereld van een mens maakt:
Plath ziet de doden in het water — de zee wit van de gezichten van de verdronkenen. De rand als geweld, als bodemloosheid, als het heilige dat wegkijkt.
Harsent hoort de doden in de lucht — of zegt ze te horen. De rand als collectief trauma, als gedeelde twijfel, als de plek waar de legende rijst omdat de levenden haar nodig hebben.
Whyte ziet de schaduw die al verder loopt over het water — de toekomst die wacht voorbij de rand. De rand als drempel, als het moment van loslaten en anders beginnen lopen.
Brenneman voelt vreugde die nergens vandaan komt — verder dan het geheugen, voorbij de wil. De rand als de plek waar het atavistische verdriet eindelijk iets anders ontmoet.
Vier gedichten. Vier randen. Geen van hen heeft gelijk. Geen van hen heeft ongelijk. De vraag is niet welke rand de ware is, maar welke rand jij herkent — en wat dat zegt over waar je staat als je leest.
Karen-Anne Peeters · Salon Nieuw-Zuid · Antwerpen · 2 maart 2026