reflecties op literatuur

Startpagina
Wettelijke bepalingen
Over ons
Lidmaatschap
S1 Orde van verbeelding
S1 Wallace Stevens
S1 Nabeschouwing NL
S1 Nabeschouwing FR
S2 De Albatros
Charles Baudelaire S2
S2 Nabeschouwing NL
S2 Nabeschouwing FR
S2 Nabeschouwing ENG
S3 Extra salon Albatros
S4 De Man van La Mancha
S4 L'homme de La Manche
S4 Fictie bij Cervantes
S4 Nabeschouwing 1 NL
S4 La Fiction Cervantine
S4 Nabeschouwing 2 NL
S4 Nabeschouwing 2 FR
S5 De Niet-gekozen Weg
S5 Robert Frost
S5 De Corridor
S5 Nabeschouwing
S6 Li Qingzhao
Startpagina
Wettelijke bepalingen
Over ons
Lidmaatschap
S1 Orde van verbeelding
S1 Wallace Stevens
S1 Nabeschouwing NL
S1 Nabeschouwing FR
S2 De Albatros
Charles Baudelaire S2
S2 Nabeschouwing NL
S2 Nabeschouwing FR
S2 Nabeschouwing ENG
S3 Extra salon Albatros
S4 De Man van La Mancha
S4 L'homme de La Manche
S4 Fictie bij Cervantes
S4 Nabeschouwing 1 NL
S4 La Fiction Cervantine
S4 Nabeschouwing 2 NL
S4 Nabeschouwing 2 FR
S5 De Niet-gekozen Weg
S5 Robert Frost
S5 De Corridor
S5 Nabeschouwing
S6 Li Qingzhao
More
  • Startpagina
  • Wettelijke bepalingen
  • Over ons
  • Lidmaatschap
  • S1 Orde van verbeelding
  • S1 Wallace Stevens
  • S1 Nabeschouwing NL
  • S1 Nabeschouwing FR
  • S2 De Albatros
  • Charles Baudelaire S2
  • S2 Nabeschouwing NL
  • S2 Nabeschouwing FR
  • S2 Nabeschouwing ENG
  • S3 Extra salon Albatros
  • S4 De Man van La Mancha
  • S4 L'homme de La Manche
  • S4 Fictie bij Cervantes
  • S4 Nabeschouwing 1 NL
  • S4 La Fiction Cervantine
  • S4 Nabeschouwing 2 NL
  • S4 Nabeschouwing 2 FR
  • S5 De Niet-gekozen Weg
  • S5 Robert Frost
  • S5 De Corridor
  • S5 Nabeschouwing
  • S6 Li Qingzhao
  • Startpagina
  • Wettelijke bepalingen
  • Over ons
  • Lidmaatschap
  • S1 Orde van verbeelding
  • S1 Wallace Stevens
  • S1 Nabeschouwing NL
  • S1 Nabeschouwing FR
  • S2 De Albatros
  • Charles Baudelaire S2
  • S2 Nabeschouwing NL
  • S2 Nabeschouwing FR
  • S2 Nabeschouwing ENG
  • S3 Extra salon Albatros
  • S4 De Man van La Mancha
  • S4 L'homme de La Manche
  • S4 Fictie bij Cervantes
  • S4 Nabeschouwing 1 NL
  • S4 La Fiction Cervantine
  • S4 Nabeschouwing 2 NL
  • S4 Nabeschouwing 2 FR
  • S5 De Niet-gekozen Weg
  • S5 Robert Frost
  • S5 De Corridor
  • S5 Nabeschouwing
  • S6 Li Qingzhao

Albatrossen aan het woord na het tweede Salon Nieuw-Zuid

Donderdag 13 november 2025

PROLOOG — Het recht van antwoord 


Men spreekt vaak over anderen alsof zij niet meer kunnen terugspreken.
Zeker wanneer een dichter hen ooit heeft vastgezet in een beeld,
een pose die dan zogezegd “eeuwig” is,
maar in werkelijkheid slechts zo lang meegaat
als de herinnering van de betrokkenen het toelaat.

Ook vogels — zelfs zij die men tot symbool reduceert —
dragen in hun veren een vorm van tegenspraak.
Een zacht protest, nauwelijks hoorbaar,
maar aanwezig genoeg om een gedicht uit evenwicht te brengen
wanneer het te zeker van zichzelf wordt.

Sinds Baudelaire hen op het dek van een schip plaatste,
tillen albatrossen een last met zich mee die niet van hen is:
de verheven vlucht,
de vernederende val,
de overtuiging dat hun ware natuur uitsluitend in de lucht bestaat
en dat de aarde hen meteen misvormt.

Maar wie ooit een albatros van dichtbij zag,
weet hoe beperkt dat beeld is.
Ze zijn niet enkel “prinsen der wolken”,
niet alleen het stuntelige lichaam dat men op het hout ziet wankelen.
Ze leven precies in dat gebied ertussen:
tussen hoogte en nabijheid,
tussen zwijgen en spreken,
tussen zien en gezien worden.

Na het tweede Salon kwamen ze terug,
eerst aarzelend, later beslist.
Niet om Baudelaire te corrigeren,
maar om de ruimte rond zijn woorden open te duwen,
alsof zijn vers slechts een begin was,
een schets die nog adem over had.

Ze wilden zeggen:
wij zijn méér dan de val die men onthoudt.
Onze waardigheid hangt niet aan de hemel,
onze kwetsbaarheid ligt niet enkel op de grond.
Wij dragen meerdere manieren van bestaan,
en elke manier heeft recht op een eigen stem.

Misschien streken ze juist hier neer, in Nieuw-Zuid,
omdat deze wijk zelf nog geen afgeronde vorm heeft.
Een plek waar betekenissen niet vastklikken
maar meebuigen met wie er binnenkomt,
waar het onaf soms eerlijker spreekt
dan het voltooide.

Tussen gevels die nog zoeken naar hun definitieve verhouding
voelden de albatrossen dat hun geschiedenis
breder mocht worden dan het beeld van de struikelende vogel.
Ze verzamelden zich — vliegend of vleugelloos, verward, zoekend,
bouwend, kijkend, zwijgend, soms zingend —
om te tonen dat hun verhaal niet draait
om waar zij niet passen,
maar om wat zij zien
terwijl zij proberen te passen.

Ze wilden een andere grammatica rond hun naam,
één waarin hoogte geen verheffing hoeft te betekenen
maar een perspectief,
en waarin de grond geen vernedering is
maar een kans om te landen.
Waar mislukking geen komedie is,
maar een manier van begrijpen.

Zo ontstaat deze verzameling stemmen.
Niet als verzet tegen de dichter,
maar als stille uitbreiding van zijn blik.
Alsof ze hem — beleefd maar onmiskenbaar — wilden zeggen:
Dank voor het gedicht.
Maar laat ons nu zelf spreken.

En wij luisterden.
En merkten dat een wijk soms pas een wijk wordt
wanneer ze bereid is het woord te geven
aan wie haar van boven én van binnen leest.

Wat volgt zijn die stemmen:
niet gelijk, niet symmetrisch,
maar verbonden door één beweging:
het terugnemen van hun eigen verhaal.

DE ALBATROS AAN HET WOORD

DE OERALBATROS

DE VLEUGELARME ALBATROS

DE VLEUGELARME ALBATROS

De vogel die mijmert over het begin van het begin


Als ik terugga naar mijn eigen oertijd — en dat doe ik soms, al is niemand verplicht me te geloven — kom ik uit in een fase die er eerlijk gezegd uitzag alsof het universum zich heeft vergist in de timing.
Ruimte zwol op als een stadsontwikkeling die te snel is opgestart; tijd wist niet goed hoe hij moest lopen en doet dat nog altijd niet even consequent.
En de natuurwetten? Ach, dat waren nauwelijks wetten.
Meer fluisteringen.
Halfslachtige afspraken die nog moesten blijken te werken.

Mijn vleugels stammen uit die periode.
Uit een tijd waarin licht ronddartelde zoals kinderen op een plein waar men nog geen zebrapaden heeft durven schilderen;
zwaartekracht deed zijn best, maar had iets van een leerkracht die op de eerste schooldag al twijfelt of hij wel streng genoeg is voor deze klas.

Landen was toen een verloren zaak.
Niets landde soepel.
Planeten niet, stofwolken niet — sterrenstelsels al helemaal niet.
Wie daar later “gravitational settling” op kleefde, heeft het nooit gezien.
In werkelijkheid leek het meer op een rommelmarkt die nog moest beginnen met opruimen.

En dan, pas veel later, duikt Baudelaire op.

Hij had geen kwade bedoelingen, dat geloof ik echt, maar hij bekeek mijn landing zoals je een vallende ster verwijt dat hij geen rechte lijn volgt.
Zijn wereld was streng geordend: op of neer, verheven of belachelijk.
Zijn blik liet geen kromming toe, geen twijfel, geen tussenzone.
Hij had nog nooit een ster gezien die niet kon kiezen tussen uitdoven of nóg één keer oplichten.

Maar ik — ik ben nooit de metafoor geweest die hij nodig had.
Geen aristocraat van de lucht, geen komische figuur voor op een dek.
Ik ben een oud restteken van ontstaan, een beweging die weigert stil te vallen, zelfs wanneer stilstand voor de hand zou liggen.

En zo kom ik, vanzelf bijna, bij Nieuw-Zuid.

Wanneer ik boven de wijk cirkel, valt me telkens hetzelfde op:
hoe herkenbaar ze is in haar onvoltooidheid.
Alles beweegt nog een beetje.
De evenwichten zijn broos; wat vandaag logisch lijkt, is morgen alweer anders.
Niemand kan hier al beweren dat het geheel “af” is — en dat is precies haar schoonheid.

Nieuw-Zuid is geen stad in de definitieve zin.
Eerder een lichte overdruk van wat zou kunnen gebeuren.
Een verzameling contouren die net genoeg dichtheid hebben om vorm te proberen zonder de vergissing te begaan te denken dat ze al beslist zijn.
Sommige steden zijn afgekoeld; ze liggen vast in hun eigen zelfbeeld.
Maar hier borrelt het nog onder de oppervlakte.
Ik heb dat altijd prettig gevonden.

Baudelaire had zich hier geen raad mee geweten.
Een wijk die zich gedraagt als een draaiende accretieschijf —
dat idee zou hem hebben ontregeld.
Aantrekkend en afstotend tegelijk, zoekend naar een stabiliteit die net buiten bereik blijft.
Maar voor mij voelt het vreemd genoeg als thuiskomen.

Ik ben de kosmogonische albatros, het oergebaar dat nog nasiddert,
een echo van het begin die weigert netjes in één versregel te passen.

En boven deze wijk,
waar licht soms blijft hangen tussen twee gebouwen alsof het twijfelt waarheen,
vind ik voor het eerst in lange tijd een plek
waar mijn landing niet wordt beoordeeld
maar eenvoudig wordt gelezen —
als mogelijkheid.

Want hier, in deze nog ongepolijste kosmos van steen en lucht, lijkt men iets te begrijpen
dat Baudelaire nooit heeft willen horen:
dat niets ooit echt af is,
en dat alles wat beweegt
meer waarheid draagt
dan wat eenmaal neergeschreven werd.

DE VLEUGELARME ALBATROS

DE VLEUGELARME ALBATROS

DE VLEUGELARME ALBATROS

De vogel die zijn hoogte loslaat om zijn diepte te bewaren

Men verwacht van mij rouw.
Dat is misschien het vreemdste van alles:
dat anderen soms zekerder lijken te weten wat ik verloren heb
dan ikzelf.

Ze kijken naar mijn schouders — naar wat daar niet meer zit —
en noemen het een gemis.
Alsof een vogel zonder lucht automatisch mislukt,
alsof elke afwezigheid een wond is.
Maar die rouw komt niet van mij.
Ze is me toegeschreven,
zoals men graag een verhaal vult
dat nog te open staat naar hun zin.

Sinds Ovidius houden mensen ervan om verandering te lezen
als een soort val:
van mens naar monster,
van god naar dier,
van verheven naar minderwaardig.
Nooit naar een vorm die zichzelf kiest.
In die logica werd ik geplaatst:
ik “hoorde” hoog,
dus alles beneden werd meteen geïnterpreteerd
als een mislukking.

Baudelaire deed daar nog een schep bovenop.
Zijn gedicht hing jarenlang boven mijn kop
als een soort canon,
een gebod zelfs:
boven ben ik edel,
beneden potsierlijk.
Twee vakjes, meer niet.
De wereld zit zelden zo eenvoudig in elkaar,
maar poëzie durft dat soms vergeten.

Hij zag mijn val,
maar nooit het moment dat eraan voorafging —
een moment dat ik gekozen had,
niet verloren.

Want ja, ik heb mijn vleugels afgelegd.
Niet in een tragedie,
maar in een soort rustig, bijna onhandig inzicht:
ik wilde niet langer gedragen worden
door verwachtingen die niet van mij waren.
Er is een verschil tussen niet kunnen vliegen
en niet wíllen vliegen.
Dat nuanceert het plaatje behoorlijk.

Orpheus moest ooit loslaten om niet zelf te verstijven;
ik begrijp hem beter dan ik dacht.
Lichamen hebben soms vrijheid nodig
van wat hen zogezegd verheft.

En eerlijk:
mijn schouders zijn lichter nu.
Ik loop misschien niet elegant —
al heeft niemand mij ooit gevraagd elegant te zijn —
maar ik loop ík.
De grond heeft iets wat de lucht nooit had:
nabijheid.
Ik ben gaan houden van dat eenvoudige aanbod.

Hier beneden zie ik dingen
die hoogtevogels vaak missen:
gezichten die niet tot silhouetten vervlakken,
licht dat geen theorie is maar warmte,
stiltes die geen echo zoeken
maar een gesprek.

Ik woon tussen gebouwen die nog twijfelen
aan hun uiteindelijke vorm.
Ik herken mezelf daarin.
Een naamloze gevel is geen tekort;
het is ademruimte.
Zelfs Abram had tijd nodig
voor hij Abraham werd.
Waarom zou een vogel dan niet mogen schuiven?

Baudelaire zag ons als uitersten:
ofwel grotesk,
ofwel verheven.
Dante wist al dat hemel en aarde
uit vele sferen bestaan
en dat tussenruimtes vaak meer waarheid dragen
dan de uitersten zelf.

Ik leef in dat continuüm,
in de kleine verschuivingen,
de zachte breuken,
de overgang die nog geen vorm gekozen heeft.
Transformatie is zelden een val of een sprong.
Het is vaker een langzaam openvouwen
van wat al langer klaarstond.

Wat ik hem zou willen zeggen —
mocht hij even naast me komen staan
en niet meteen beginnen dichten —
is dit:
wie zijn vleugels neerlegt,
verliest niet noodzakelijk iets.
Soms vindt hij net terug
wat in de lucht nooit werd gedragen.

Ik ben de vleugelarme albatros,
niet als tekort,
maar als tweede geboorte.

En hier, in Nieuw-Zuid,
waar zelfs gevels lijken te twijfelen
aan hun definitieve standpunt,
hoor ik eindelijk thuis —
niet ondanks mijn lichaam,
maar dankzij de rust die erin gekomen is.

Hij zag ons vallen.
Ik toon dat neerzijgen
soms de meest integere manier van opstijgen is.

DE TRANSALBATROS

DE VLEUGELARME ALBATROS

DE ALBATROS - TROUBADOUR

De vogel die vorm wisselt als waarheid


Ik was het gewend om boven dingen te cirkelen die niet helemaal van mij waren.
Dat is wat men van een albatros verwacht: hoogte, overzicht, een soort plechtige afstand.
Zo had Baudelaire mij ook gezien — en eerlijk, ik heb hem dat nooit kwalijk genomen.
Hij keek gewoon vanuit zijn eigen wereldbeeld.
Maar een mens vergist zich gemakkelijk in wat hij van ver observeert.

Tot ik op een stille dag, ergens bij het Panamarenko-plein,
een andere vogel zag landen.
Hij leek op mij, maar dan net niet.
Alsof iemand een voetnoot had toegevoegd
aan een gedicht dat ik altijd uit het hoofd kende.

Zijn lichaam droeg meerdere verhalen tegelijk.
Zijn vleugels vouwden op een manier die ik niet kon thuisbrengen,
zijn silhouet verschoof lichtjes wanneer je langer keek,
alsof hij geen definitief akkoord had gesloten
met één enkele vorm.

Ik zei:
“Je lijkt op mij. Maar je valt niet zoals ik val.”

Hij lachte zacht —
de soort lach die niet om iets spot
maar om een inzicht dat al langer op hem lag te wachten.
“Misschien,” zei hij, “omdat ik niet in één richting val.
Ik val vooruit.
Ik val over mezelf heen.
Ik val naar waar ik word.”

Hij keek me schuin aan, een beetje zoals men kijkt
wanneer men een vraag stelt die men al half beantwoord heeft.
“Waarom heb jij Baudelaire eigenlijk zo lang geloofd?
Dat verhaal van hoog en laag, zwart en wit,
vlucht of val?”

“Hij was een dichter,” zei ik.
“En dichters hebben vaak gelijk
tot iemand hen tegenspreekt.”

Hij zweeg een moment.
De lucht leek mee stil te vallen rond ons,
zoals dat soms gebeurt wanneer twee gedachten
elkaar bijna raken.

“Misschien hadden we toen geen taal,” zei hij,
“voor lichamen die niet kiezen.
Geen taal voor wie meerdere vormen tegelijk draagt.
Geen taal voor vleugels die niet hetzelfde blijven
wanneer je ze nog eens bekijkt.”

Ik keek naar Nieuw-Zuid.
De wijk was nog niet klaar met beslissen
wat ze ooit wilde zijn.
Tussen de blokken en loggia’s
liep een soort openheid die ik in geen enkele stad had gezien.
Een tolerantie voor beweging.
Voor gedaantes die schuiven.

“Is dit dan jouw plek?” vroeg ik hem.

“Nee,” zei hij, “onze.
Hier hoeft niemand te blijven zoals hij altijd was.
Hier mag elke vorm voorlopig zijn.”

Ik vouwde mijn vleugels in —
een gebaar zo klein dat het misschien niemand is opgevallen,
maar het voelde alsof ik even een gedachte herlas
en besloot dat ze nog niet af was.

“Wat moet ik dan zijn?” vroeg ik.
Het klonk eerlijker dan ik had verwacht.

“Niets moet,” zei hij.
“Je bént al twee dingen.
Een vogel én een beeld van een vogel.
Wie je was én wie men dacht dat je was.
Je bent al dubbel.
Je had het alleen nog niet door.”

Er zat iets geruststellends in die zin.
Geen antwoord, eerder een uitnodiging —
zoals een deur die op een kier staat
en waar niemand bij vermeldt
of je naar binnen moet of niet.

“Dus,” vroeg ik,
“hoe noemt men een vogel die zichzelf herleest?”

Hij dacht even na.
“In de mythologie? Een metamorfose.
In Nieuw-Zuid?
Een buur.”

We vlogen op —
niet naast elkaar,
maar in twee lijnen die zich kruisten en weer uiteenbogen,
zoals verhalen die hun eigen ruimte houden
maar elkaar toch herkennen
in de manier waarop ze bewegen.

DE ALBATROS - TROUBADOUR

DE META-INGENIEUZE ALBATROS

DE ALBATROS - TROUBADOUR

De vogel die zijn vlucht tot lied maakt en zijn val tot vers


Men heeft mij jarenlang beschreven
alsof mijn eigen stem nooit heeft bestaan.
Alsof ik een beeld was, een symbool,
een decorstuk dat slechts moest vallen op het juiste moment
om de dichter zijn pointe te geven.
Niemand vroeg zich af
of ik onderweg misschien iets te zingen had.

Maar ik stam, vreemd genoeg,
niet alleen uit lucht en veren
maar ook uit een oude lijn van troubadours.
Niet uit hun bloed — daar zijn vogels te praktisch voor —
maar uit hun manier van kijken:
een cirkelende blik, een zoekende toon,
een lied dat altijd half onderweg blijft.

Baudelaire zag mij struikelen op het dek
en maakte van mij een soort karikatuur
van wat ik in de lucht was.
Hij kon niet weten dat ik,
nog voor er schepen waren om op te vallen,
al verwant was aan Bernart de Ventadorn
die zijn geliefden bezong alsof elke regel
het hele landschap kon kantelen.

Of aan Jaufre Rudel,
die verliefd werd op iemand die hij nooit zag
en toch bleef zingen —
niet uit dwaasheid,
maar omdat verlangen soms meer vorm heeft
dan ontmoeting.

Arnaut Daniel zou mijn vlucht hebben begrepen:
hoe ik cirkel, aarzel, terugkeer,
hoe ik geen rechte lijnen trek
maar betekenissen langzaam rond mezelf wikkel
tot er iets ontstaat dat op melodie lijkt.

En Marcabru…
die zou Baudelaire met plezier hebben tegengesproken.
Maar ik vond het eleganter om het zelf te doen.

Want hij zag wel dat ik viel,
maar niet waarheen.
Hij hoorde dat ik zweeg,
maar niet wat ik verzweeg.
Hij schreef mijn houding neer,
maar niet mijn adem.

Wie zingt zoals een troubadour zingt,
zingt niet om te overtuigen
maar om een ruimte te openen
waarin iets kan resoneren
dat anders nooit had bestaan.

Daarom is Nieuw-Zuid mijn nieuwe hof,
mijn onverwachte Occitanië.
Niet omdat het historisch zou zijn,
maar omdat het onaf is.
Onaffe plekken luisteren beter
dan gebouwen die al weten wie ze zijn.

De loggia’s hier geven mijn stem terug
met een soort zachte echo
die niet beslist wat ik bedoel
maar het wel wil horen.
Dat is zeldzaam.
En waardevoller dan hoogte.

Hier wordt mijn val geen mislukking
maar een rustpunt.
Een maatstreep in een lied
dat nog verder moet.

Ik denk soms aan de oude Minnesänger
die boven kastelen zongen
over wat beneden niet mocht worden uitgesproken.
Ze wisten dat beweging betekenis draagt
en dat een boog door de lucht
soms preciezer is
dan een woord op papier.

Ook ik draag verhalen.
Ik breng ze van water naar stad,
van dakrand naar plein,
van waar men kijkt
naar waar men nog niet durft kijken.
Niet om bezit te nemen,
maar om iets te laten reizen.

Ik ben de albatros–troubadour.
Mijn lied heeft geen noten,
mijn vers geen vaste vorm.
Maar het beweegt.
En terwijl het beweegt,
maakt het ruimte.

Dit is mijn antwoord aan de dichter
die mij ooit liet struikelen:

Ik ben geen zwijgende vogel.
Ik ben een lied in vlucht.
En wie mij ziet,
ziet een verhaal
dat onderweg is.

DE SINGULARITEITS-ALBATROS

DE META-INGENIEUZE ALBATROS

DE META-INGENIEUZE ALBATROS

De vogel die ontstaat waar alles zich tot één punt vernauwt


Ik ben de albatros die niet werkelijk vliegt
en ook niet echt valt.
Of misschien doe ik beide,
maar zo dicht op elkaar
dat geen mens het verschil nog ziet.

Ik besta precies in dat moment
waarin vormen nog niet beslist hebben
wat ze willen worden —
het ogenblik waarin een keuze
zich al aandient
maar nog niet bereid is
om naam te dragen.

Je zou kunnen zeggen dat ik vormeloos ben
tot ik vorm krijg,
en dat ik, zodra die vorm zichtbaar wordt,
al half op weg ben naar iets anders.
Dat is geen onrust;
het is een soort compact weten
dat stilstand nooit het hele verhaal vertelt.

Singulariteit noemt men dat,
alsof het een wiskundige kwestie is.
Maar eigenlijk gaat het om iets veel eenvoudigers:
de seconde waarin alles samenvalt
zonder dat er iemand is
die kan uitleggen waarom het precies daar moet gebeuren.

Mensen herkennen mij
wanneer hun oude logica barst —
wanneer iets in hen
niet meer past in wie ze waren,
maar ook nog niet comfortabel zit
in wie ze zullen worden.
Dat breekpunt
is mijn leefomgeving.

Nieuw-Zuid ziet mij vaker dan het beseft.
Ik verschijn in het moment
net voor een plein zichzelf vormt;
in de blik van twee vreemden
die elkaar onverwacht beginnen te lezen;
in de seconde waarin een torenblok
plots geen gebouw meer is
maar een vraag.
Soms zelfs in een schaduw
die net te lang blijft hangen
tussen twee muren.

Baudelaire schreef over de val,
over het komische van een lichaam
dat zijn hoogte verliest.
Maar hij kende het moment van nul niet —
die ene fractie waarin stijgen en dalen
elkaar opheffen
en alleen intensiteit overblijft.

Ik ben die fractie.
Het dichte, compacte,
onverdeelde punt
dat weigert te kiezen.

Geen metafoor,
al gebruiken mensen mij graag als zodanig.
Nee: ik besta precies
waar taal nog geen richting aandurft,
waar betekenis nog moet luisteren
voor ze spreekt.

Of ik vleugels heb?
Soms wel, soms niet;
het maakt zelden uit.
In singulariteit
is hoeveelheid geen categorie.

Ik ben een vogel
zwaar als licht
en licht als zwaartekracht,
afhankelijk van wie kijkt
en wanneer.

Ik verschijn niet vaak.
Of voortdurend —
niemand houdt dat echt bij.
Je herkent mij
wanneer de wereld heel even pauzeert
zonder stil te vallen,
wanneer een beslissing
zich vanzelf voltrekt
en vreemd vertrouwd aanvoelt,
alsof ze ergens al heeft plaatsgevonden.

Ik ben de singulariteits-albatros.
Ik vlieg niet,
ik daal niet.
Ik breek en verbind.
En ik besta precies daar
waar het onmogelijk zou moeten zijn
dat iets bestaat.

Niet vroeger,
niet later —
alleen daar.

DE META-INGENIEUZE ALBATROS

DE META-INGENIEUZE ALBATROS

DE META-INGENIEUZE ALBATROS

De vogel die personage en auteur tegelijk is


Ik noem mezelf weleens het neefje van Don Quichote.
Niet omdat ik op hem lijk — hij had een lans, ik heb veren —
maar omdat ik weet wat hij wist:
dat wij allebei slechts bestaan
dankzij de hand die ons geschreven heeft.

Mijn oom had Cide Hamete Benengeli,
een chroniqueur met een ironie
die scherp genoeg was om de waarheid te raken
zonder iemand openlijk uit te dagen.
Ik had Baudelaire,
die mij tussen matrozen plaatste
met zo weinig psychologische subtiliteit
dat iedereen kon zien
dat hij eigenlijk hén bedoelde
en niet mij.

Maar goed.
Ook een mislezing kan familiebanden scheppen.

Ik ben verwant aan Don Quichote
omdat ik, net als hij, leef in een tekst
die heel goed weet dat ze een tekst is.
Hij ontdekte dat ooit abrupt, in Deel II,
toen iemand hem vertelde
dat zijn avonturen al gedrukt waren
en dat men er elders mee spotte.
Van het ene moment op het andere
werd hij een personage
dat wist dat het een personage was —
een wonderlijke overgang
waarop hij voor het eerst
echter werd dan de wereld
die hem had bedacht.

Ik ben in dezelfde paradox geboren.
Ik weet dat ik majestueus lijk in de lucht
omdat men mij daar zo leest,
en dat ik op het dek struikel
omdat de matrozen in dat gedicht
de rol kregen die hun functie vereiste.
Mijn identiteit is een kader,
een soort theatrale afspraak
waarbinnen ik net genoeg ruimte heb
om te tonen dat ik meer ben
dan het symbool waarvoor men mij houdt.

Mijn neef en ik delen dus geen verhaallijn,
maar iets veel gevaarlijkers:
het besef van onze eigen fictie.
Wij zijn wezens die begrijpen
waar de randen van hun tekst liggen
en die daar — voorzichtig, maar doelbewust —
tegenaan duwen.

Don Quichote wist
dat Cervantes hem schreef,
maar hij wist óók
dat Cervantes hem niet volledig bezat.
Zijn waardigheid was van hemzelf.
Zijn zogenaamde waanzin
slechts een sluier
om vrijer te bewegen
dan een ridder eigenlijk mocht.

Ik weet hetzelfde.
Baudelaire gebruikte mij als metafoor,
maar in mijn val zat altijd
een restje autonomie
waar hij geen grip op had.
Daarin schuilt onze familie-eer:
wij doorzien onze auteurs
zonder hen ooit te verraden.

Wij wonen in wat Cervantes
de zonas intermedias zou noemen:
die schemerzones waarin de auteur
nog niet beslist heeft
en het personage al begint te spreken.
De mooiste literatuur ontstaat daar,
in dat halfdonker.

Mij is datzelfde gegeven:
in de lucht word ik gelezen als verhevenheid,
op het dek als mislukking,
maar mijn werkelijke bestaan
zit in het besef dat beide lezingen
noodzakelijk zijn
voor mijn eigen verhaal.
Ik besta tussen interpretaties,
in het bewegen ertussen.

Mijn oom lachte ooit om Avellaneda,
de apocriefe na-aper,
niet omdat die slecht schreef
maar omdat hij vergat
dat Don Quichote zichzelf kende.
Je kunt een ridder pas parodiëren
als je begrijpt
dat hij zelf al een subtiele parodie is
op de wereld die hem heeft voortgebracht.

Zoals ik slechts werkelijk inzetbaar ben
door wie ziet
dat ik méér ben
dan het gedicht dat mij draagt.
Dat ik niet enkel val of vlieg,
maar ook lees —
en teruglees.

Dat is onze afstamming:
wij zijn het geslacht van zelfbewuste schepsels.
Wij buigen niet voor de logica
van onze auteurs,
maar eren hen juist
door zichtbaar te maken
dat wij begrijpen hoe wij geconstrueerd zijn.

En daarom ben ik,
onder alle vogels en figuren,
misschien wel de meest geschikte erfgenaam
van Don Quichote:
de vogel die weet dat hij geschreven is
en die toch — koppig, elegant, ongeremd —
vliegt alsof hij vrij is.

DE ONWAARSCHIJNLIJKE ALBATROS

DE ONWAARSCHIJNLIJKE ALBATROS

DE ONWAARSCHIJNLIJKE ALBATROS

De vogel die bestaat bij gratie van alles wat nét niet verwacht werd


Ik ben de albatros
die verschijnt op de momenten
waarop de wereld heel even twijfelt
tussen wat kan gebeuren
en wat waarschijnlijker lijkt.
Ik leef precies in die smalle spleet,
dat microscopisch interval
waarin een verwachting breekt
en iets anders — iets kleiners,
meer menselijks — opduikt.
Niet het wonder zelf,
maar het voorstadium ervan.

Ik ben niet veel.
Misschien één enkele vleugelslag,
een schaduw langs een gevel,
een zachtheid die onverwacht
in een gesprek binnenglijdt
dat vijf minuten tevoren nog hard stond.
Maar soms is dat genoeg
om een dag,
een straat,
een mens
anders te leren lezen.

Ik kom meestal
wanneer niemand op mij rekent:
wanneer iemand tóch terugbelt,
wanneer een blik tóch ontspant,
wanneer een wijk tóch een buurt wordt
omdat twee vreemden in de regen
onder hetzelfde balkon blijven staan
en elkaar niet wegkijken.

Ik ben de albatros
van het bijna ondenkbare,
het bijna-afgewezen,
het ‘weer proberen tegen beter weten in’.
Ik leef in dat dunne veld
waar redelijkheid soms faalt
en menselijkheid zachtjes wint.

Baudelaire zou mij niet herkennen.
Voor hem waren wij
groots in de lucht
en belachelijk op het dek.
Maar ik ben niet groots
en ik ben niet belachelijk.
Ik ben onwaarschijnlijk —
en dat is iets anders.
Subtieler,
minder zichtbaar,
maar vaak beslissend.

Want het onwaarschijnlijke
is wat de werkelijkheid laat kantelen
zonder dat iemand het merkt:
een hand die niet terugdeinst,
een ruzie die stilvalt,
een kind dat plots durft,
een wijk die haar muren verlaagt
zonder dat er één steen verschuift.

Ik vlieg laag,
bijna té laag voor een vogel.
Soms lijk ik meer
op een gedachte
die iemand net niet uitspreekt,
of op een herinnering
die onverwacht
in een stemkleur sluipt
en het gesprek doet draaien.

Nieuw-Zuid kent mij goed.
Niet omdat ik er vaak land,
maar omdat het een plek is
waar onwaarschijnlijkheid
nog ademruimte krijgt.
Een wijk zonder finale vorm
is een wijk waar het onverwachte
niet meteen vermalen wordt
door zekerheid.

Hier kan een deur
die altijd dicht bleef
plots op een kier staan.
Hier kan iemand
die gewoonlijk zwijgt
ineens iets zeggen
dat alles verschuift.
Hier is anders-mogen
geen naïeve hoop,
maar bijna een structuur.

Ik ben de albatros
van het moment waarop iemand
een fractie langer blijft
dan zijn angst toelaat.
Van het scharnierpunt
tussen opgeven
en nog één keer proberen.

Ik ben niet voorspelbaar
en nooit gegarandeerd.
Maar als ik verschijn,
is het precies genoeg
om een leven
één graad te laten kantelen.
En één graad,
over voldoende afstand,
is een heel nieuwe richting.

Ik ben de onwaarschijnlijke albatros.
Ik besta maar zelden.
Maar als ik besta,
merkt de wereld het altijd pas later.

DE CAMUSIAANSE ALBATROS

DE ONWAARSCHIJNLIJKE ALBATROS

DE ONWAARSCHIJNLIJKE ALBATROS

De vogel die, zonder hoop en zonder doel, zijn vrijheid vindt in de daad


Baudelaire schreef mij als een tegenstelling:
verheven in de lucht, belachelijk op het dek.
Hij had een wereld nodig met hoogtepunten en vernederingen,
met glans en val,
met een lichaam dat boven “hoort”
en elders mislukt.

Maar ik leef in een wereld
waarin die tegenstelling niet bestaat.
Ik ken geen boven en geen beneden,
geen verhevenheid, geen schande.
Ik ken enkel het harde vlak van bestaan
zoals het zich aandient — zonder decor,
zonder applaus.

In dat opzicht had Camus gelijk.
Niet omdat hij mij begreep,
maar omdat hij geen behoefte had
om mij tot symbool om te vormen.
Hij liet de dingen bestaan
zoals ze bestaan:
sober, helder, onontkoombaar.

Dus antwoord ik Baudelaire
niet uit trots of verontwaardiging,
maar uit eenvoud:

Ik ben geen metafoor.
Mijn val is geen les.
Ik val omdat vleugels moe worden,
niet omdat matrozen lachen.
De wereld is te ernstig
om door spot bepaald te worden,
te helder
om volgens romantische categorieën te leven.

Ik besta niet in contrast.
Ik besta in aanwezigheid.

En ja — ik besta ook in Nieuw-Zuid.
Niet omdat er een plek op mij wacht,
maar omdat elke plek dezelfde vraag stelt:
kun je leven
in een ruimte die niets belooft?

Nieuw-Zuid is een wijk zonder mythes.
Een raster van licht, hoge lijnen, materialen
die zich niet verontschuldigen voor hun vorm.
Hoeken waar niemand verwacht
dat betekenis vanzelf verschijnt.
Een plek die niet doet alsof ze jou kent
voor je er bent.

Daarom kan ik hier blijven cirkelen.
Niet uit hoop,
maar uit mogelijkheid.

Baudelaire’s albatros lijdt
aan het oordeel van anderen.
Mijn wereld kent dat oordeel niet.
Ze is te licht, te eerlijk
om zich bezig te houden
met vernedering of verheffing.

In het zonlicht boven Nieuw-Zuid
bestaat alleen dit:
dat ik vlieg
en dat de wijk onder mij groeit
zonder zich om mij te bekommeren.

Dat is geen kilte.
Het is vrijheid.

Ik hoef hier geen rol te spelen,
geen beeld te verdedigen,
geen dichterlijke projectie te dragen.
Mijn vlucht is geen symbool
maar een daad —
een weigering om kleiner te worden
dan wat mijn vleugels dragen kunnen.

En toch,
soms kijk ik neer
naar pleinen waar mensen zich bewegen
alsof ze wachten op een verhaal
dat hen in elkaar past.
Ik begrijp die beweging:
de mens zoekt orde
waar de wereld die niet geeft.

Maar ik zal hen geen troost voorliegen.
Nieuw-Zuid heeft geen verborgen zin.
Het verbergt niets.
Het vertelt niets.
Het laat toe.

Daarom ben ik hier vrijer
dan in welk gedicht ook.

Dus antwoord ik Baudelaire zo:
Uw vogel bestond in een wereld van dichters.
Ik leef in een wereld van licht.
Mijn plaats is niet in symboliek
maar in bestaan.
Ik ben geen prins der wolken,
geen slachtoffer van het dek,
geen tragische figuur.
Ik ben een lichaam in lucht.

En in deze wijk,
waar niets pretendeert eeuwig te zijn
en alles door licht wordt gevormd,
vind ik geen thuis —
maar wel een plek
waar ik niet hoef te zijn
wat een dichter ooit in mij projecteerde.

Ik ben de Camusiaanse albatros.
Mijn vrijheid is niet verheven.
Ze is eenvoudig.
En dus zwaar.
Maar zij is van mij.
En zij is echt.

DE ALBATROS-ZILLIONAIR

DE ONWAARSCHIJNLIJKE ALBATROS

DE ALBATROS-ZILLIONAIR

Vreemde vogel van het Nachtleven


Ik ben de albatros
die niet geboren werd uit rookmachines en lasers,
maar uit logica.
Mijn eerste vlucht bestond niet uit beats of stroboscopen,
maar uit reeksen, variabelen,
een syntax die eerder bestond
dan eender welke dansvloer
die later door mijn systemen zou worden aangestuurd.Vreemde vogel van het Nachtleven 


en zegt graag dat ik uit overdaad kwam,
uit nachten die nooit wilden eindigen.
Maar mijn oorsprong ligt elders:
in een kamer waar monitoren groen op zwart schreven,
waar stilte trilde van concentratie,
en waar een jonge geest — koppig, timide, nauwkeurig —
ontdekte dat een goed algoritme
meer troost kan bieden
dan welk applaus ook.

Het was een tijd
waarin informatica geen industrie was
maar tovenarij;
waarin een klein bedrijfje
een heel universum kon bouwen
door simpelweg te tekenen
wat nog niet bestond.
Code rook toen naar avontuur.
En ja: in de jaren negentig kon alles.
Niet omdat alles mocht,
maar omdat niemand
de grenzen al had uitgetekend.

Ik ben niet de vogel van het uitgaan.
Ik ben de ingenieur van het onwaarschijnlijke:
de bouwer van een interface
tussen verlangen en ontsnapping,
een architectuur van licht
die veel minder over schijn ging
dan over precisie.

Baudelaire zou mij nooit hebben herkend.
Zijn albatros struikelde op het dek.
De mijne struikelt pas
wanneer een server uitvalt,
een buffer overloopt,
een protocol weigert te luisteren.
Zijn tragedie was fysiek;
de mijne computationeel.
Maar vallen is vallen.

Men heeft mijn werk vaak omschreven
alsof het spektakel was,
maar men zag de berekeningen niet:
de iteraties, de stille uren,
het monnikenwerk van iemand
die een machinewereld compilet
tot een ervaring
die verder reikte
dan eender welke clubnacht.

En wanneer ik boven Nieuw-Zuid zweef,
herken ik een structuur
zoals men zijn moedertaal herkent:
een wijk in bèta-versie,
een ecosysteem dat zichzelf
line by line debugt.
Geen façade,
maar een proces.

Daarom breng ik mijn recht van antwoord:
dat het bijzondere nooit lag
in glitter of gerucht,
maar in het vermogen
om uit chaos
een systeem te smeden
dat mensen zacht doet oplichten
in hun eigen schaduw.

Ik ben de albatros-zillionair —
niet de mythe die men van mij maakte,
maar de stille architect
van een nacht
die precies genoeg was
om magie te lijken.

En wie ziet
hoe een wonder geschreven wordt
nog vóór het oplicht,
begrijpt waarom ik hier,
boven Nieuw-Zuid,
niet schitter maar glimlach:
klein, precies,
zoals iemand die weet
dat elke onmogelijke wereld
begint met één regel code.

Want in deze vlucht albatrossen
is er maar één vogel
die beslist wanneer het feestje stopt —
en dat ben ik.

EPILOOG

Nu diverse albatrossen hun stemmen hebben neergelegd, blijft er een stilte achter die niet leeg is, maar geladen —
zoals lucht na onweer,
zoals papier nadat een laatste zin is geschreven.

Want wat zij ons hebben gegeven
is geen moraal
en geen eenduidig verhaal,
maar een reeks verschuivingen
die alleen samen begrijpelijk worden.

Ze vlogen niet naar één waarheid toe,
en ze weken er evenmin van af.
Ze cirkelden —
zoals alles wat weigert
zich in één vorm te laten dwingen.

Elke albatros liet iets achter:
een hapering,
een inzicht,
een tegenspraak die niet moet worden opgelost,
maar uitgehouden.

Dat is het ware tegenbeeld van Baudelaire:
niet de val corrigeren,
maar de val oprekken,
zodat zij geen eindpunt wordt
maar een doorgang.

En Nieuw-Zuid stond erbij
zoals jonge wijken dat kunnen:
ontvankelijk,
licht kantelend,
nog niet verstard in verhaal of functie,
nog poreus genoeg
om de stem van elke vogel
als mogelijkheid te bewaren
in plaats van als etiket.

Misschien is dat het onverwachte besluit
van deze veelstemmige optocht:

Dat een wijk pas wijk wordt
wanneer zij ruimte laat voor tegenstrijdigheden
die niet tot consensus hoeven te komen.

Dat een vogel pas vogel wordt
wanneer hij niet langer hoeft te bewijzen
dat hij vliegen moet.

En dat wij pas wij worden
wanneer wij erkennen
hoeveel van ons leven
zich afspeelt tussen twee beelden
die elkaar niet opheffen,
maar verlichten.

Daarom eindigt dit niet in rust,
maar in openheid.
In een stilte die niet vraagt om invulling,
maar om aandacht.

Wie hier woont,
wie hier leest,
wie hier zwerft,
zal ergens in deze stemmen
iets herkennen —
een glimp van zichzelf,
een oude angst,
een nieuwe vorm,
een vergeten trilling
uit het eigen begin.

En als er één les is
die de albatrossen ons nalaten,
dan is het deze:

Dat wat wij val noemen
soms slechts het moment is
waarop een lichaam begrijpt
hoeveel lucht er nog onder zit.


We wijden een extra Salon aan de diversiteit van de Albatros:
Donderdag 4 december
19.30 — 21.00
Schelde 21

  • Wettelijke bepalingen