reflecties op literatuur
reflecties op literatuur
De rode lotus heeft haar kleur prijsgegeven
aan een seizoen dat niets teruggeeft.
De geur is opgelost in lucht
die geen geheugen bezit.
Het jade bed bewaart de kou
als een oud mineraal
dat zwijgen heeft geleerd.
Steen tegen huid.
Nacht tegen lichaam.
Zijde glijdt van mijn schouders
niet als gebaar,
maar als zwaarte die besluit
zichzelf niet langer te dragen.
Ik maak de boot los van de oever.
Water opent zich zonder oordeel.
Het vraagt niet.
Het draagt.
Boven mij schuiven wolken voorbij
zonder bericht, zonder handschrift.
Geen draad van inkt breekt de hemel.
Wilde ganzen tekenen hun strakke lijnen
in een orde die mij niet toebehoort.
Ik hef mijn blik
alsof de lucht zich zou vergissen
en een teken zou laten vallen.
Zij vergist zich niet.
De maan betrekt de westertoren
met haar bleke gezag.
Drie uur in de nacht.
Licht dat niets belooft
en niets herstelt.
Bloemen laten los
met de waardigheid van wat voltooid is.
Blaadjes dalen zonder verweer.
De rivier volhardt
in haar lange beslissing
om te stromen.
Er is één vorm van gemis.
Zij verdeelt zich in twee kamers:
achter het voorhoofd,
waar gedachten zich verharden;
onder de ribben,
waar adem zijn gewicht voelt.
Het zakt van het gezicht
naar binnen—
zonder geluid,
zonder getuige.
Ik spreek een einde uit.
Ik sluit de deur met woorden.
Maar onder taal
beweegt water.
Wat men beëindigt in licht
keert terug in diepte.
Dit gevoel laat zich niet verkleinen.
Niet redeneren tot het wijkt.
Het blijft
zoals hartslag blijft—
onopvallend,
onmiskenbaar.
Onder het oppervlak
is de wortel doorgesneden.
Toch houden vezels stand
in het blinde geduld van het water.
Wat boven is gebroken
gaat ondergronds voort.
De boot drijft—
klein in het uitgestrekte van de nacht.
De maan ziet toe
zonder tussenkomst.
Geen epos daalt neer.
Geen stem verklaart dit uur.
Alleen water.
Alleen maanlicht.
Alleen wat blijft
wanneer het zichtbare is gesneden.
Een afgesneden bloesem.
En onder alles
de wortel
die niet wijkt.