reflecties op literatuur
reflecties op literatuur
The Road Not Taken
(after Wallace Stevens, S1)
There were no roads, not yet.
Only a clearing
where the light paused,
uncertain whether to become
a direction.
The forest was not yellow
until I named it so.
Before that, it was a breathing
of leaves,
a grammar without words.
I stood, not to choose,
but to let the world
decide what it would be
by how I looked at it.
One shadow leaned eastward,
another folded into the west.
But neither was a path,
until the mind
gave them edges.
What I did not take
was not abandoned.
It remained unspoken,
a colour withheld
from the sentence of the day.
And what I took
was not chosen
but composed,
a phrase laid upon the ground
by the foot that named it road.
Later I will say:
this made the difference.
But the divergence was never
in the forest.
It was in the seeing.
Les chemins non pris
(à la manière de Baudelaire, l’Albatros, S2-3)
Souvent, quand deux chemins s’ouvrent dans la brume amère,
Comme un pont de navire entre ciel et séjour,
Je vois planer au-dessus, spectre vaste et léger,
L’Albatros déchu, prince exilé du jour.
L’un brille, ivre d’azur, promesse sans rivage,
Où l’âme croit saisir l’infini sous ses pas ;
L’autre sombre et glissant, chargé d’ombre et d’orage,
Traîne au sol ses soupirs et ses chaînes de bas.
Je ne choisis pourtant ni l’éclat ni la cendre,
Je marche sous l’oiseau qui titube en splendeur,
Car né pour les hauteurs, il apprend à descendre
Et son vol humilié murmure ma grandeur.
Derrière moi, les voies que mon pas délaissa
Battent l’air lentement comme des ailes brisées ;
Elles chantent encore ce que je n’ose plus,
Le rêve suspendu des routes refusées.
Ainsi va l’homme, hôte d’un double royaume,
Fils de la terre lourde et frère de l’azur :
Chaque pas sur le sol lui rappelle qu’il nomme
Liberté ce qui fut blessure dans l’air pur.
De weg die niet werd gegaan
(naar Cervantes, Don Quichot, S4)
Op een bleke ochtend, toen het licht nog aarzelde
tussen waarheid en belofte,
bereikte Don Quichot een plaats
waar twee wegen zich van elkaar verwijderden
alsof zij elkaar iets kwalijk namen
dat geen van beide kon benoemen.
Hij hield zijn ros in,
niet uit voorzichtigheid,
maar omdat zijn blik bleef haken
aan wat de wereld niet bevestigde:
de mogelijkheid dat geen van beide wegen
hem vroeg te volgen.
De ene was breed en helder,
zo vaak betreden dat zij haar naam vergeten was,
gladgestreken door voeten
die liever vooruitgingen dan dachten.
De andere kronkelde,
bedekt met gras en stilzwijgen,
alsof zij zich schaamde
voor haar ongelezen belofte.
“Hier,” sprak hij zacht,
“hier moet het lot zich openbaren,”
want wat is een ridder zonder kruispunt,
en wat is een verhaal zonder breuk?
Maar Sancho, die naast hem stond
en het gewicht der dingen beter kende,
zei niets,
en juist dat zwijgen
bracht iets aan het wankelen in zijn heldhaftige zekerheid.
Don Quichot strekte zijn arm
naar de minder betreden weg,
niet omdat zij waarachtiger was,
maar omdat zij hem toestond
zichzelf te zien als degene
die niet volgt, maar voorgaat.
En toch, nauwelijks had hij de eerste stappen gezet
of hij bemerkte wat hem pijnlijk trof:
dat ook deze weg
zich liet dragen door dezelfde aarde,
onder hetzelfde licht,
en dat zijn grootse keuze
nauwelijks het landschap had beroerd.
Toen keerde hij zich om,
niet om terug te gaan,
maar om te kijken naar wat hij niet had genomen.
En daar begreep hij, met een glimlach die geen spot was,
dat de niet-gekozen weg
meer bestond in zijn verhaal
dan in de wereld zelf.
Sindsdien wist hij
dat zijn grootste avonturen
niet lagen in wat hij deed,
maar in wat hij vertelde dat hij had gedaan.
Niet in de weg,
maar in de noodzaak
om een weg te hebben gekozen.
En zo reed hij voort,
niet als dwaas,
maar als mens:
wandelend in een wereld
die hem niet vroeg om held te zijn,
maar om betekenis te geven
aan wat hem toeviel.
De weg die niet werd gegaan
(naar Li Qingzhao: onder de pruimenboom, tussen eenheid en eigenheid, S6)
Ik stond niet tussen twee wegen,
maar onder de pruimenboom
waar elke tak
zijn eigen buiging kent
en toch samen
het zwijgen draagt.
De bloesems vielen,
niet tegelijk,
niet willekeurig,
maar elk volgens
zijn eigen ogenblik
van loslaten.
De boom hield hen niet vast,
de wind dreef hen niet uiteen,
en toch
viel geen enkele bloem
buiten de boom.
Zo is ook mijn gaan:
niet afgesneden van het deel,
niet opgelost in het geheel,
maar gedragen
door wat groter is
zonder daarin te verdwijnen.
Wat ik niet ging
is geen gemis,
maar een andere trilling
in hetzelfde leven.
Zoals een twijg
geen andere tak wordt
omdat hij bloeit.
Ik ben niet vrij
tegenover de wereld,
maar licht
zoals de bloem open is:
om te vallen
op haar eigen wijze,
en juist daarin
deel te zijn
van de val.
En wanneer ik terugkijk
en zeg: “hier was een weg”,
dan weet ik:
ik bedoel niet
een richting,
maar een moment
waarop mijn hart
samenviel
met het ritme
van wat groter was
dan ik.
Onder de pruimenboom
is geen kruispunt.
Er is slechts dit:
dat ik mijzelf werd
zonder mij los te maken,
en mij niet verloor
door mijzelf te zijn.

Deze reeks kent geen afsluiting.
Niet uit onvermogen,
maar uit keuze.
Het salon wordt hier niet begrepen als een plaats
waar men arriveert,
maar waar men vertrekt
met iets wat nog geen naam heeft.
Geen synthese betekent geen gebrek aan ernst.
Integendeel:
het is de erkenning dat denken niet altijd moet landen
om waarachtig te zijn.
Dat literatuur niet bestaat om te bevestigen,
maar om te openen.
Literatuur als ethiek van aandacht
Wat deze reflecties uiteindelijk verbinden,
is niet een theorie,
maar een houding:
aandacht voor nuance,
voor meervoudigheid,
voor wat niet onmiddellijk bruikbaar is
maar des te noodzakelijker.
Literatuur verschijnt hier niet als luxe,
maar als oefening in vrijheid:
niet de vrijheid van kiezen tussen opties,
maar de vrijheid om te blijven kijken
waar men ook had kunnen besluiten.