reflecties op literatuur

Startpagina
Wettelijke bepalingen
Over ons
Lidmaatschap
S1 Orde van verbeelding
S1 Wallace Stevens
S1 Nabeschouwing NL
S1 Nabeschouwing FR
S2 De Albatros
Charles Baudelaire S2
S2 Nabeschouwing NL
S2 Nabeschouwing FR
S2 Nabeschouwing ENG
S3 Extra salon Albatros
S4 De Man van La Mancha
S4 L'homme de La Manche
S4 Fictie bij Cervantes
S4 Nabeschouwing 1 NL
S4 La Fiction Cervantine
S4 Nabeschouwing 2 NL
S4 Nabeschouwing 2 FR
S5 De Niet-gekozen Weg
S5 Robert Frost
S5 De Corridor
S5 Nabeschouwing
S6 Li Qingzhao
Startpagina
Wettelijke bepalingen
Over ons
Lidmaatschap
S1 Orde van verbeelding
S1 Wallace Stevens
S1 Nabeschouwing NL
S1 Nabeschouwing FR
S2 De Albatros
Charles Baudelaire S2
S2 Nabeschouwing NL
S2 Nabeschouwing FR
S2 Nabeschouwing ENG
S3 Extra salon Albatros
S4 De Man van La Mancha
S4 L'homme de La Manche
S4 Fictie bij Cervantes
S4 Nabeschouwing 1 NL
S4 La Fiction Cervantine
S4 Nabeschouwing 2 NL
S4 Nabeschouwing 2 FR
S5 De Niet-gekozen Weg
S5 Robert Frost
S5 De Corridor
S5 Nabeschouwing
S6 Li Qingzhao
More
  • Startpagina
  • Wettelijke bepalingen
  • Over ons
  • Lidmaatschap
  • S1 Orde van verbeelding
  • S1 Wallace Stevens
  • S1 Nabeschouwing NL
  • S1 Nabeschouwing FR
  • S2 De Albatros
  • Charles Baudelaire S2
  • S2 Nabeschouwing NL
  • S2 Nabeschouwing FR
  • S2 Nabeschouwing ENG
  • S3 Extra salon Albatros
  • S4 De Man van La Mancha
  • S4 L'homme de La Manche
  • S4 Fictie bij Cervantes
  • S4 Nabeschouwing 1 NL
  • S4 La Fiction Cervantine
  • S4 Nabeschouwing 2 NL
  • S4 Nabeschouwing 2 FR
  • S5 De Niet-gekozen Weg
  • S5 Robert Frost
  • S5 De Corridor
  • S5 Nabeschouwing
  • S6 Li Qingzhao
  • Startpagina
  • Wettelijke bepalingen
  • Over ons
  • Lidmaatschap
  • S1 Orde van verbeelding
  • S1 Wallace Stevens
  • S1 Nabeschouwing NL
  • S1 Nabeschouwing FR
  • S2 De Albatros
  • Charles Baudelaire S2
  • S2 Nabeschouwing NL
  • S2 Nabeschouwing FR
  • S2 Nabeschouwing ENG
  • S3 Extra salon Albatros
  • S4 De Man van La Mancha
  • S4 L'homme de La Manche
  • S4 Fictie bij Cervantes
  • S4 Nabeschouwing 1 NL
  • S4 La Fiction Cervantine
  • S4 Nabeschouwing 2 NL
  • S4 Nabeschouwing 2 FR
  • S5 De Niet-gekozen Weg
  • S5 Robert Frost
  • S5 De Corridor
  • S5 Nabeschouwing
  • S6 Li Qingzhao

BEKENTENIS


I.


De koorts maakt alles helder.


Vreemd, hoe ziekte dat doet - de wereld wazig maken maar de gedachten scherp.


Ik lig hier nu al drie dagen. Misschien vier. Tijd verliest betekenis wanneer het lichaam opgeeft.


De barbier kwam gisteren. Hij schudde zijn hoofd. De priester komt vandaag, zeggen ze. Dat betekent iets.


Er is iets dat ik moet zeggen voordat het te laat is.


Niet voor God - als Hij bestaat, weet Hij het al.


Maar voor... wie eigenlijk?


Voor iemand die begrijpt misschien.


Of voor mezelf, om één keer de waarheid hardop te zeggen voordat het bewustzijn dooft.


II.


Het begon met een boek.


Of nee - het begon veel eerder. Maar het boek gaf het vorm.


Amadís de Gaula.


Ik was dertien toen ik het voor het eerst las. Stiekem, want er waren boeken die niet voor mij bedoeld waren. Maar mijn vader had een bibliotheek en slechte sloten.


En in dat boek was een moment dat me raakte op een manier die ik niet begreep.


De schildknaap die vraagt: "Maak mij tot ridder."


En de oude ridder die antwoordt: "Sta op. Door te kiezen word je."


Door te kiezen word je.


Ik las het opnieuw. En opnieuw.


En elke keer dacht ik: maar waarom kan ik niet ook kiezen?


En elke keer wist ik het antwoord al.


III.


Er zijn momenten in een leven waarin je beseft dat de weg die voor je ligt niet de jouwe is.


Voor sommigen komt dat moment vroeg.

Voor anderen laat.


Voor mij kwam het op mijn twintigste.


Mijn moeder zei: "Er is een man. Een goede man. Hij zal voor je zorgen."


Zorgen.


Ik keek naar haar en begreep plotseling wat ze bedoelde met "zorgen."


Een huis dat niet het mijne zou zijn.

Kinderen die mijn tijd zouden vullen.

Dagen die zouden verdwijnen in taken die anderen hadden bedacht.


En 's avonds, misschien, na het werk, zou ik mogen lezen.


Als er tijd over was.

Als er kaarsvet over was.

Als ik niet te moe was.


Ik zei nee.


Het schandaal was groter dan ik had verwacht.


Men wordt niet geboren als wat men wordt.


Men wordt gemaakt.


Door duizend kleine dressuren.

Door eindeloze aanpassingen.

Door het voortdurend kleiner maken van jezelf totdat je past in de ruimte die voor je is voorzien.


En die ruimte is altijd te klein.


Te klein om te ademen.

Te klein om te denken.

Te klein om te zijn buiten relatie tot een ander.


Ik weigerde te passen.


Niet uit grootsheid.

Maar uit onvermogen.


Ik kon het gewoon niet.


IV.


De jaren daarna waren vreemd.


Ik bleef in het huis van mijn vader. Later, toen hij stierf, werd het mijn huis.


De buren fluisterden.


"Wat raar."

"Zo alleen."

"Wat zal er van haar worden?"


Alsof "worden" alleen kon gebeuren in relatie tot iemand anders.


Alsof bestaan zonder functie voor een ander geen echt bestaan was.


Want dat is de kern:


Men bestaat niet voor zichzelf.


Men bestaat voor: echtgenoot, vader, broer, zoon.


Altijd relationeel.

Nooit autonoom.


Altijd het Tweede.


Nooit het Eerste.


En als je die relaties weigert, ben je... wat?


Niets.


Een gat in het systeem.


Een anomalie die niet benoemd kan worden.


Een vraag zonder antwoord.


V.


Maar ik las.


En in die boeken vond ik levens die anders waren.


Ridders die kozen hun eigen queeste.

Pelgrims die vertrokken zonder te weten waarheen.

Heiligen die alles opgaven om iets te vinden dat groter was dan zijzelf.


En langzaam - heel langzaam - begon een gedachte te groeien:


Waarom niet ik?


Maar er was een probleem.


Ridders in de verhalen waren... niet zoals ik.


Niet in essentie - want wat is essentie?


Maar in de taal.

In de codes.

In het systeem van herkenning.


Als ik ridder wilde zijn, moest ik eerst iets anders worden.


Of iets anders lijken.


VI.


Het geluk - als je het zo kunt noemen - was dat mijn vader een broer had gehad.


Een jongere broer.


Die naar de Nieuwe Wereld was vertrokken toen ik tien was.


Peru, zeiden ze.


Op zoek naar fortuin, naar goud, naar wat mensen daar ook zoeken.


En die broer was nooit teruggekomen.


Brieven kwamen onregelmatig. Eén per jaar, soms minder.


En toen, toen ik tweeëntwintig was, stopten de brieven helemaal.


Dood, veronderstelde men.


Ziek geworden, of vermoord door inheemsen, of verdwaald in die eindeloze nieuwe wereld.


Mijn vader rouwde.


Maar niet overdreven - ze waren nooit close geweest.


En het leven ging door.


Maar ik onthield dat.


De broer die niemand meer had gezien.


Die verdwenen was in een wereld zo ver weg dat verificatie onmogelijk was.


VII.


Op mijn vijfentwintigste zag ik een theatergezelschap.


Ze speelden een religieus stuk in het dorp. Toegestaan, zelfs aangemoedigd.


En er was iemand op het toneel die een rol speelde die... niet de hunne was.


De stem was anders.

De gebaren waren anders.

De houding was anders.


Maar het werkte.


Het publiek zag wat ze moesten zien.


En ik dacht: alles is theater.


Niets is natuurlijk.


Alle manieren van zijn zijn aangeleerd.

Alle gebaren zijn geciteerd.

Alle stemmen zijn getraind.


Niets is essentie.

Alles is herhaling.


En als dat zo is -


Als het allemaal citatie is, performance, aangeleerde codes -


Dan kan ik ook andere codes leren.


Dan kan ik een andere rol spelen.


Want gender is geen waarheid die ontdekt wordt.


Gender is een waarheid die herhaald wordt totdat ze vanzelfsprekend lijkt.


VIII.


Ik begon te oefenen.


Niet meteen met de bedoeling iets groots te doen.


Maar gewoon... om te zien of het kon.


De stem eerst.


Urenlang, achter gesloten deuren, sprak ik anders.


Lager.

Vlakker.

Zonder de stijgende intonatie die wordt verwacht - die vragende toon, alsof elke uitspraak toestemming nodig heeft om waar te mogen zijn.


Het klonk vreemd.


Maar na maanden: minder vreemd.


Na jaren: mogelijk.


De manier van bewegen.


Ik observeerde - op de markt, in de kerk, op straat.


Hoe sommigen door een deur liepen: breed, zonder zich kleiner te maken dan nodig.


Hoe sommigen zaten: benen wijd, ruimte-innemend, alsof de ruimte van hen was.


Hoe sommigen keken: direct, zonder eerst weg te kijken om toestemming te vragen voor het kijken zelf.


Kleine verschillen.


Maar samen vormden ze een heel systeem van macht.


Een systeem dat zich voordoet als natuur.


Want dat is wat gender is, uiteindelijk:


Een systeem van macht dat zich vermomt als natuur.


Een hiërarchie die zichzelf rechtvaardigt door te claimen dat God het zo heeft gewild.


Of de natuur.


Of de biologie.


Altijd een beroep op iets buiten de mens om te verbergen dat het een menselijke constructie is.


En ik oefende.


In mijn eigen huis, waar niemand keek.


Tot het niet meer aanvoelde als oefenen.


Tot het gewoon was.


IX.


Op mijn achtenveertigste gebeurde er iets.


Ik kan niet precies zeggen wat.


Misschien was het een verzameling van kleine dingen die plotseling een geheel vormden.


Misschien was het gewoon dat ik niet langer kon wachten.


Ik knipte mijn haar kort.


Ik bond wat gebonden moest worden - pijnlijk, maar effectief.


Ik trok kleding aan die anders zat, die het lichaam herdefinieerde, die nieuwe lijnen schiep.


En ik keek in de spiegel.


Wat terugkeek was... iemand die ik herkende.


Niet als vreemd.


Maar als bekend.


Als iemand die er altijd al was geweest maar die ik nooit eerder had kunnen zien.


En ik dacht aan de oom.


De verdwenen broer van mijn vader.


X.


Het verhaal dat ik vertelde was simpel.


Simpel genoeg om geloofwaardig te zijn.


De oom was niet dood.


Hij was teruggekeerd uit Peru.


Ziek, uitgemergeld, veranderd door jaren in de Nieuwe Wereld.


En hij had zijn nicht - mij - gevraagd om naar een klooster te gaan.


Een stille terugtrekking, gebed, bezinning.


De buren knikten begrijpend.


"Eindelijk," zeiden sommigen. "Ze past toch nergens."


"Het klooster is goed voor haar," zeiden anderen.


Ik liet hen dat geloven.


En toen vertrok ik.


Niet naar een klooster.


Maar naar een leven dat eindelijk het mijne was.


De buren zagen een oude man vertrekken.


Mager, stil, vergeten.


De oom die uit de Nieuwe Wereld was teruggekomen en nu elders naartoe ging.


En niemand verbond die man met de nicht die naar het klooster was.


Waarom zouden ze?


Het waren twee verschillende mensen.


Twee verschillende verhalen.


Alleen ik wist dat het één verhaal was.


XI.


Ik had een paard nodig.


Een slecht paard, achteraf gezien. Oud, mager, met ribben die zichtbaar waren door de huid.


Maar het was een paard.


En met een paard en een zwaard en een nieuwe naam kon ik vertrekken.


Een naam.


Niet mijn geboortenaam - die laat ik hier ongenoemd, want hij is niet relevant meer.


Een gekozen naam.


Want namen zijn performatief.


Wanneer je zegt "Ik ben..." dan creëer je iets.


Je roept een werkelijkheid in het bestaan door haar te benoemen.


XII.


De eerste nacht was vreemd.


Ik sliep in een herberg.


Of probeerde te slapen.


Want de angst was daar.


De angst dat iemand zou zien.


Dat iemand zou weten.


Dat de performance niet overtuigend genoeg was.


Maar niemand zag.


Of: niemand zei iets.


De waard zei: "Kamer voor één?"


En ik zei: "Ja."


En hij gaf me de sleutel.


Geen vragen.


Geen twijfel.


En ik begreep:


Het werkt.


De performance werkt.


Niet omdat ze perfect is.


Maar omdat mensen zien wat ze verwachten te zien.


XIII.


De tweede dag vond ik iemand.


Of nee - iemand vond mij.


Ik zat in een herberg, mijn eerste echte dag op reis, en probeerde te doen wat ridders doen: wijn drinken, verhalen vertellen, ruimte innemen.


En iemand kwam naar me toe.


"U bent nieuw in dit vak," zei die persoon.


Geen vraag. Een constatering.


Ik verstijfde.


Had die persoon iets gezien? Iets dat niet klopte?


Maar de persoon glimlachte. Een vreemde glimlach - niet spottend, niet vragend.


Herkenning.


"Ik ook," zei die persoon. "Nieuw in... dit."


En ik begreep niet precies wat er werd bedoeld.


Maar ik begreep dat er herkenning was.


"Komt u mee?" vroeg ik.


"Waarheen?"


"Overal waar iets te doen is. Waar onrecht moet worden hersteld."


Die persoon keek me aan, lang.


"Ja," zei die persoon toen. "Ik kom mee."


En zo begon het.


XIV.


We reden samen.


Twee mensen die niet pasten.


Die een ruimte zochten buiten de categorieën.


We spraken weinig over vroeger.


Wat viel er te zeggen?


Maar er waren momenten waarop ik iets zag.


Een gebaar dat niet klopte.


Een blik die anders was.


Een manier van zijn die niet paste in het verhaal dat werd verteld.


En ik dacht: misschien ook.


Misschien is deze persoon ook iemand die niet past.


Niet op dezelfde manier als ik.


Maar toch: niet passend.


Want er zijn meer manieren om niet te passen dan het systeem kan benoemen.


XV.


De molens.


Natuurlijk moet ik over de molens spreken.


Iedereen kent dat verhaal.


We reden over de vlakte en daar stonden ze.


Groot. Mechanisch. Draaiend in de wind.


En mijn metgezel zei: "Kijk, molens."


Maar ik zag iets anders.


Niet letterlijk reuzen - ik was niet gek, wat ze ook zeggen.


Maar structuren.


Structuren die draaien omdat ze altijd al draaiden.


Die functioneren volgens een logica die niemand meer bevraagt.


Die vorm geven aan levens zonder te vragen of die vorm past.


De molen heeft geen eigen wil.


Hij draait omdat de wind waait.


Hij maalt omdat anderen hem graan geven.


Hij is onderworpen aan krachten buiten hemzelf.


Hij weet niet eens waarom hij draait.


Is dat geen perfecte metafoor voor hoe het systeem werkt?


Voor hoe gender werkt?


Je wordt geboren.


Men kijkt naar je lichaam.


Men zegt: dit.


En vanaf dat moment draai je.


Volgens de wind die anderen bepalen.


Volgens de logica die niemand meer bevraagt.


Omdat het altijd al zo was.


En ik keek naar die molens en dacht:


Dit moet bestreden worden.


Niet de molens zelf.


Maar wat ze vertegenwoordigen.


Het idee dat dingen zijn zoals ze zijn omdat ze nu eenmaal zo zijn.


Het idee dat de structuur natuurlijk is in plaats van gebouwd.


Ik viel aan.


Natuurlijk verloor ik.


Je kunt geen systeem verslaan met een lans.


Maar het punt was niet winnen.


Het punt was weigeren.


Het punt was zichtbaar maken dat de molen niet natuurlijk is maar gebouwd.


Dat hij gestopt kan worden.


Dat een andere wind mogelijk is.


Mijn metgezel zei achteraf: "Het waren molens."


En ik zei: "Ik weet het."


En die persoon keek me aan en zei: "Maar toch."


"Maar toch," beaamde ik.


XVI.


Over het ideaal moet ik spreken.


Want het ideaal is waar alles draait.


En waar alles kan worden verraden.


Ridders hebben een dame nodig.


Zo gaat het in de verhalen.


Een dame die inspireert, die richting geeft, die de queeste rechtvaardigt.


Zonder dame geen ridderschap.


Dat is de logica van de romans.


Maar hier zit mijn probleem.


Mijn onmogelijkheid.


De ridders in de boeken nemen echte vrouwen en maken er idealen van.


Ze zien iemand met een lichaam, met verlangens, met een eigen wil.


En ze reduceren die iemand tot symbool.


Passief.

Perfect.

Stil.


De muze die inspireert maar niet handelt.


Het object dat verlicht maar niet spreekt.


Ik kon dat niet doen.


Niet uit principe alleen.


Maar uit iets diepers.


Uit een weten - lichamelijk, intuïtief - hoe het voelt om gereduceerd te worden tot wat iemand anders nodig heeft dat je bent.


Want ik wist het.


Ik had het geleefd.


Vijfendertig jaar lang had ik het geleefd.


Gereduceerd tot dochter.


Gereduceerd tot potentiële echtgenote.


Gereduceerd tot lichaam dat kon baren, handen die konden dienen.


Nooit gezien als subject met eigen verlangens.


Altijd object in iemand anders' project.


Altijd de Ander.


Altijd het Tweede.


En nu zou ik dat bij een ander doen?


Nu zou ik een andere persoon nemen en die transformeren tot functie in mijn verhaal?


Nee.


Dus creëerde ik een ideaal dat niet bestond.


Een naam zonder lichaam.


Een idee zonder persoon.


Een principe zonder vleesgeworden vorm.


"De edelste," zei ik tegen mijn metgezel.


"Hebt u die persoon ooit ontmoet?" vroeg mijn metgezel.


"Nee," zei ik. "Maar ik weet dat het mogelijk is."


"Waar?"


"Ergens waar de wereld anders is dan deze."


Mijn metgezel keek me aan met die vreemde blik.


"Een wereld die niet bestaat dus," zei die persoon.


"Nog niet," zei ik.


Want dat was de waarheid:


Het ideaal was geen persoon die ik idealiseerde.


Het ideaal was de mogelijkheid zelf.


De mogelijkheid van een wereld waarin mensen konden zijn wie ze waren.


Zonder de dwang van categorieën die te klein zijn.


Zonder de rollen die als natuur worden voorgesteld maar gebouwd zijn door macht.


XVII.


Er kwam een moment - in wat anderen "het tweede deel" noemen, alsof mijn leven een boek was met hoofdstukken -


Er kwam een moment waarop mijn metgezel naar drie mensen op ezels wees en zei: "Daar!"


Ik keek.


Drie gewone mensen. Moe. Stoffig. Menselijk.


Mensen op weg naar de markt.


En ik zag de kloof tussen wat ik had geconstrueerd en wat er werkelijk was.


Mijn metgezel wachtte op mijn reactie.


De test.


Zou ik nu toegeven dat het ideaal niet bestond?


Dat het allemaal verbeelding was geweest?


En ik zei: "Betoverd."


Niet als leugen.


Niet als ontkenning.


Maar als... hoe zal ik het zeggen?


Als manier om trouw te blijven aan de mogelijkheid van iets dat nog niet zichtbaar is.


Want ja, ik zag drie gewone mensen.


Maar ik zag ook wat ze hadden kunnen zijn in een andere wereld.


In een wereld zonder de betovering die hen reduceerde tot "boerin," tot "marktvrouw," tot slechts die ene mogelijkheid.


"Betoverd," herhaalde mijn metgezel zacht.


"Ja. De wereld ziet hen niet zoals ze zouden kunnen zijn."


"Of u ziet hen niet zoals ze zijn."


En ik dacht: misschien beide.


Want hier is de paradox:


Om te overleven in dit systeem, moest ik de categorieën gebruiken die het systeem biedt.


Ik moest lijken zoals het systeem verwacht om ridder te kunnen zijn.


Maar daardoor reproduceerde ik de categorieën die ik wilde ontsnappen.


Dat is de val.


Dat is waar elke revolte op stuit.


Je kunt het systeem niet verlaten terwijl je er nog in leeft.


Je kunt alleen ruimtes creëren waarin het even mogelijk is om anders te ademen.


XVIII.


Het harnas.


Daar moet ik over spreken.


Want het harnas was belangrijk op een manier die niemand begreep.


Het harnas verhulde.


Niet alleen het lichaam.


Maar ook de vraag.


Onder het harnas was ik geen antwoord op een vraag.


Ik was gewoon: ridder.


Het metaal maakte het lichaam abstract.


En in die abstractie was vrijheid.


Want het lichaam is het probleem.


Het lichaam is waar het systeem begint.


Men kijkt naar het lichaam en zegt: dit.


En vanaf dat moment draait de molen.


Vanaf dat moment ben je gedefinieerd.


Vanaf dat moment is je bestaan niet langer autonoom maar relationeel.


Maar onder het harnas was het lichaam onzichtbaar.


Onder het harnas bestond ik als functie, niet als lichaam.


Als ridder, niet als gender.


Mijn metgezel vroeg me eens: "Slaapt u in uw harnas?"


"Soms," zei ik.


"Waarom?"


En ik zei iets over waakzaamheid, over voorbereiding, over ridderlijke plicht.


Maar de waarheid was simpler:


Omdat uitkleden betekende: het lichaam blootstellen.


En het lichaam blootstellen betekende: vragen oproepen die ik niet wilde beantwoorden.


Zelfs niet aan mezelf.


XIX.


Er was een herberg waar de waard me niet vertrouwde.


"U bent..." begon hij.


En stopte.


Omdat hij geen woord vond.


"Ik ben ridder," zei ik.


"Ja," zei hij. "Maar..."


Weer stopte hij.


En ik zag in zijn ogen dat hij iets zag dat niet klopte.


Iets dat niet paste in zijn categorieën.


Maar hij kon niet benoemen wat.


Dus liet hij het rusten.


Dat gebeurde vaker.


Mensen die keken.

Die aarzelden.

Die bijna iets zeiden maar het dan inslikten.


Want wat moesten ze zeggen?


Ze hadden geen woorden voor wat ze zagen.


Of dachten te zien.


De taal biedt twee opties.


Twee hokjes.


En als je niet duidelijk in het ene past, moet je wel in het andere passen.


En als je in geen van beide duidelijk past...


Dan is er geen woord.


Dan ben je onbenoembaar.


En wat onbenoembaar is, kan bijna niet bestaan.


Bijna.


XX.


Het eiland.


Het eiland dat mijn metgezel bestuurde.


Iedereen denkt dat het een grap was.


De hertog die mijn metgezel "gouverneur" liet spelen van een dorp.


Theater.


Maar voor mijn metgezel was het echt.


Tien dagen lang oordeelde die persoon.


En de oordelen waren rechtvaardig.


Wijs zelfs.


Er kwam iemand die zei dat er onrecht was gedaan.


En mijn metgezel oordeelde niet zoals het systeem zou oordelen.


Niet volgens de rollen die waren toegewezen.


Maar volgens wat rechtvaardig was.


En de mensen die eerst lachten, begonnen te luisteren.


En toen mijn metgezel terugkwam, zei ik: "Hoe was het?"


En die persoon zei: "Het was echt."


"De hertog speelde een spel."


"Voor hem misschien. Maar voor de mensen die ik hielp was het echt. Mijn oordelen hadden echte gevolgen."


En ik begreep:


Werkelijkheid is niet wat officieel wordt erkend.


Werkelijkheid is wat effect heeft.


Als die oordelen levens veranderden - en dat deden ze - dan was dat bestuur echt.


Ook al noemde het systeem het theater.


Net zoals mijn ridderschap echt was.


Ook al noemde het systeem het waanzin.


XXI.


Er zijn dingen die ik mijn metgezel nooit heb verteld.


Dingen die ik niemand heb verteld.


Maar die persoon wist.


Zonder woorden.


Er waren momenten waarop een hand op mijn schouder rustte - kort, troostend - na een gevecht dat ik had verloren.


En in die aanraking zat begrip.


Er waren nachten waarop we naast elkaar zaten, te moe om te spreken.


En in die stilte was herkenning.


We spraken er nooit over.


Wat viel er te zeggen?


Die persoon kende me op een manier die dieper ging dan woorden.


En ik kende die persoon.


Twee mensen die hadden gekozen voor een leven buiten de grenzen.


Twee mensen die elkaar hadden gevonden in die buitenruimte.


En misschien - ik weet het niet zeker, want er werd nooit expliciet over gesproken -


Maar misschien was die persoon ook iemand die niet paste.


Niet op dezelfde manier als ik.


Maar toch: niet passend.


Want er zijn meer manieren om niet te passen dan het systeem kan benoemen.


XXII.


Nu, op dit sterfbed, komt de barbier binnen.


Hij kijkt naar me met iets tussen medelijden en nieuwsgierigheid.


"Het is bijna voorbij," zegt hij.


Alsof ik dat niet weet.


"Is er iemand die we moeten roepen?" vraagt hij.


Familie, bedoelt hij.


Ik schud mijn hoofd.


En dan zeg ik een naam.


De naam van mijn metgezel.


"Alleen die persoon."


Hij knikt en vertrekt.


En ik lig hier en denk:


Straks komt de priester.


Hij zal vragen of ik spijt heb.


Of ik de waanzin afzweer.


Of ik terugkeer tot "de rede."


En wat zal ik zeggen?


XXIII.


De deur gaat open.


Mijn metgezel komt binnen.


Langzaam, alsof het lopen pijn doet.


Misschien doet het dat ook.


We zijn geen van beiden jong meer.


Die persoon gaat naast het bed zitten.


Zegt niets.


Ik kijk naar dat gezicht.


De rimpels.

De vermoeide ogen.

De mond die iets wil zeggen maar wacht.


"Sancho," zeg ik. Want zo heet die persoon. Sancho.


"Ja."


"Heb je het geweten? Vanaf het begin?"


Sancho kijkt me aan.


Lang.


"Ja," zegt Sancho dan. "Vanaf het begin."


"Waarom heb je nooit iets gezegd?"


Sancho glimlacht. Die vreemde, verdrietige glimlach.


"Omdat," zegt Sancho, "ik ook weet hoe het is."


En dan begrijp ik.


Eindelijk.


Sancho ook.


Niet op dezelfde manier misschien.


Maar toch: ook.


Ook iemand die niet paste in de vorm die was voorzien.


Ook iemand die had moeten kiezen tussen passen of breken.


Ook iemand die had gekozen voor een derde weg die geen naam had.


"We waren een goed team," zeg ik.


"We waren vrij," zegt Sancho.


XXIV.


De priester komt.


Hij gaat aan de andere kant van het bed zitten.


Zwart, somber, zeker van zijn waarheid.


"Mijn kind," begint hij. "Het is tijd om af te zweren."


"Wat moet ik afzweren?"


"De waanzin. De ridderlijke dwalingen. Het verzet tegen de orde die God heeft geschapen."


Ik kijk naar hem.


"De orde die God heeft geschapen," herhaal ik. "Of de orde die mensen hebben geschapen en aan God hebben toegeschreven om die orde onaantastbaar te maken?"


Hij verstijft.


"Dat is ketterij."


"Is het?" Mijn stem is zwak nu. De koorts begint te winnen. "Of is het een vraag die gesteld mag worden?"


"God heeft man en vrouw geschapen. Elk met hun rol. Elk met hun plaats."


"En wie past niet in die rollen?"


Hij zwijgt.


"Zijn die dan niet door God geschapen?" vraag ik. "Of zijn ze fouten? Vergissingen van de Schepper?"


Hij zegt: "Je bent in de war door de ziekte."


Maar ik zie in zijn ogen dat hij begrijpt wat ik vraag.


En dat hij geen antwoord heeft.


Want als God perfect is, en God heeft alles geschapen -


Dan heeft God ook mij geschapen.


Zoals ik ben.


Niet zoals het systeem zegt dat ik zou moeten zijn.


XXV.


De kamer wordt wazig.


Stemmen komen en gaan.


De priester bidt.


Sancho zit stil naast me.


En ik denk:


Straks is het voorbij.


Straks lost dit lichaam op.


Dit lichaam dat zoveel moeite heeft gekost.


Dit lichaam dat ik heb verhult, getransformeerd, herdefinieerd.


Maar wie was ik eronder?


Man?

Vrouw?

Iets anders?

Beide?

Geen van beide?


Ik weet het niet.


Zelfs nu niet.


Maar ik weet dit:


Ik was ridder.


Niet omdat het systeem me ridder noemde - het noemde me gek.


Maar omdat ik ervoor koos.


En door te kiezen werd ik het.


En ik was het ideaal zelf.


Niet twee mensen.


Maar een.


De ridder die zocht naar het ideaal.


En het ideaal dat gezocht werd.


Want het ideaal was nooit iemand anders geweest.


Het ideaal was wie ik had kunnen zijn in een wereld die ruimte liet.


Het ideaal was de naam voor de mogelijkheid zelf.


En nu, op dit sterfbed, begrijp ik eindelijk:


Ik heb acht jaar geleefd als die ridder.


Acht jaar gezocht naar dat ideaal.


Maar ik was de hele tijd al allebei.


De zoeker en het gezochte.


Het subject en het principe.


De vraag en het antwoord.


Eén persoon die probeerde te bestaan buiten de categorieën die te klein waren.


XXVI.


Het lichaam geeft op.


Eindelijk.


En in het laatste moment van helderheid voor alles zwart wordt -


Begrijp ik:


Ik was iemand die weigerde.


Die weigerde te passen.


Die weigerde te buigen.


Die weigerde het lichaam te laten bepalen wat mogelijk was.


En in die weigering -


In dat volhouden tegen alle logica in -


Lag de vrijheid.


De enige vrijheid die er is:


Om te zeggen wie je bent.


Tegen een wereld die zegt dat je dat niet mag.


En dan toch te zijn.


Hoe dan ook.


Tegen alles in.


Tot het einde.


Tot nu.


Sancho's hand raakt de mijne.


Een laatste keer.


"Vaarwel," fluistert Sancho.


En ik wil zeggen: geen vaarwel.


Want wat wij deden blijft.


Niet in de boeken die over ons geschreven zullen worden.


Die zullen het verkeerd begrijpen.


Die zullen een gekke oude man zien die molens aanviel.


Maar ergens, misschien -


Ergens zal iemand lezen en denken:


Wacht.


Wat als...


En die vraag - die enkele vraag -


Is genoeg.


Het licht wordt zwakker.


En het laatste dat ik denk is:


Ik heb geleefd.


Niet zoals ze wilden.


Maar zoals ik koos.


En dat -


Dat is genoeg.


Dat moet genoeg zijn.


En dan, heel zacht, bijna onhoorbaar, de laatste woorden:


Mijn naam was Alfonsa Quijana.


En ik was Don Quichot de la Mancha.


En ik was Dulcinea del Toboso.


Alle drie.


Altijd al.

  • Wettelijke bepalingen