reflecties op literatuur
reflecties op literatuur
SALON 7 · FINISTERRE
De salons brachten teksten samen. Ze werden gelezen. Hardop. In stilte. Met pauzes.
Bij Wallace Stevens werd gesproken over verbeelding — over wat er gebeurt wanneer iemand woorden naast de wereld legt en de wereld anders wordt. Bij Baudelaire verscheen een albatros op het dek: groot in de lucht, onhandig op planken, misschien terugkijkend naar wie hem bekeek. Met Cervantes werd een ridder gevolgd die weet dat hij in een boek bestaat en toch handelt — hij leest, hij wordt gelezen, de grens ertussen vervaagt. Bij Frost stonden twee wegen in een bos: er werd gekozen, er werd later een verhaal verteld over die keuze, en het gedicht hield beide open. En Li Qingzhao liet twee lezingen naast elkaar bestaan — verbondenheid als eenheid, verbondenheid als eenvoud — zonder te beslissen welke waar was.
In het zevende salon lezen we David Whyte — Finisterre.
Cabo Finisterre ligt aan de westkust van Galicië, waar de Atlantische Oceaan begint of eindigt, afhankelijk van de richting waarin je loopt. De naam komt van het Latijn *finis terrae* — einde van het land. Voor de Romeinen was dit het uiterste punt van de bewoonbare wereld: daarachter oceaan, onbekendheid, de plek waar de zon elke avond verdween en waarvan men niet zeker wist of ze zou terugkeren. Ze bouwden er een altaar en offerden. Vandaag is het het symbolische eindpunt van de Camino de Santiago. Sommige pelgrims lopen na Santiago nog drie dagen door tot aan de kaap. Traditioneel verbrandden ze er hun kleren of lieten hun schoenen achter — niet officieel, wel onvermijdelijk.
Minstens zeven dichters schreven een gedicht met dezelfde naam of dezelfde plek. Elk zag iets anders.
David Whyte schreef "Finisterre" in 2012: de weg die jou neemt in plaats van omgekeerd, de schoenen achtergelaten aan de rand van het water, een deel van jou dat verder loopt over de golven — niet omdat je het opgeeft, maar omdat je nu een andere manier van lopen nodig hebt. Sylvia Plath schreef haar *Finisterre* in 1961, in Bretagne, op andere rotsen aan een andere zee: waarschuwende kliffen, de gezichten van verdronkenen in het witte water, zielen die opstijgen zonder hoop als zuchten, een Madonna die verliefd is op de vormeloosheid van de zee en niet antwoordt op wie haar aanspreekt. David Harsent schreef zijn "Finisterre" in 2005: vierhonderd doden op een smal stuk land tussen twee zeeën, en de volgende ochtend een groep mensen in een kring die luistert naar de meeuwen tot een vrouw iets anders hoort in hun kreten — iets rauw, iets vol angst — en dan hoort iedereen het, of zegt het te horen. José Ángel Valente, geboren in Galicië, benaderde zijn eigen streek als radicale leegte — de plek als het wegvallen van alle taal, alle houvast, alle symbool. Matthew Brenneman schreef over Marco Polo aan het einde van de wereld: een oude man op een winterstrand die, tegen verwachting in, vreugde voelt.
En Antonio Machado bereikte zijn Finisterre niet aan de zee maar op de vlucht, in een Frans pensionskamertje in Collioure, februari 1939 — honderd meter van het water, verdreven over de Pyreneeën met de laatste golf Republikeinse ballingen. Na zijn dood vond men in zijn jaszak een onafgemaakt vers: "estos días azules y este sol de la infancia" — deze blauwe dagen en deze zon van de kindertijd. Geen conclusie. Een opening die bleef hangen. Elders schreef hij wat misschien zijn diepste antwoord op Finisterre is: "caminante, no hay camino, se hace camino al andar"— er is geen weg, de weg ontstaat in het lopen.
Zeven stemmen. Dezelfde rand. Geen van hen zag hetzelfde.
Het einde van het land als het moment waarop je niet verder kunt zoals je gekomen bent. Een grens. Een breekpunt. Of de plek waar de kaart ophoudt en de werkelijkheid begint.
We lezen.
Wat gebeurt, gebeurt.
02/03/26 · 19u30
Salon Nieuw-Zuid