reflecties op literatuur
reflecties op literatuur
Zhao spreekt
I.
Ik was drie dagen dood toen ze naar de vijver liep.
Binnen lag mijn lichaam op jade, koud geworden steen.
Ze had drie nachten naast me gezeten, hand op borst,
wachtend op wat niet zou komen—dat kleine kloppen
links, onder de derde rib, waar twintig jaar haar vingers
's nachts reflexief rustten, half slapend, om te voelen
dat ik er nog was.
Op de vierde ochtend tilde ze haar hand op.
Ik zag hoe moeilijk dat was—haar vingers
die niet wilden loslaten van de plek die zij definieerden.
Want zolang ze aanraakte, bestond er nog iets.
Zodra ze losliet, was ik object.
Ze stond op. Liep naar buiten.
En ik volgde, omdat doden—zo blijkt—
geen keuze hebben in wat ze achtervolgen.
Maar ook: omdat verbinding niet stopt
wanneer het hart stopt.
II.
Het was geen herfst zoals ze later schreef.
Het was hoogzomer, de lucht zo dik
dat ademen bewuste handeling werd.
紅藕香殘玉簟秋
Rode lotus waarvan de geur gewelddadig is afgenomen,
Dat doet de dood met ons lichaam.
Het ruikt niet meer naar ons.
殘—歹 (dood) + 戈 (wapen).
Door oorlog.
Door ziekte.
Door keuzes die anderen maakten.
Door tijd die niemand kan stoppen.
Ze schreef wat waar voelde, niet wat waar was.
Want waarheid bestaat in twee vormen:
wat gebeurde,
en wat het betekende.
En wat het betekende was:
iets kostbaars, met geweld weggenomen,
in de tijd van transformatie.
Want herfst is niet dood.
Herfst is overgang.
秋—禾 (graan) + 火 (vuur).
Oogst en verbranding.
Einde en begin.
III.
輕解羅裳
Ze begon haar kleren los te maken.
Langzaam, haar vingers volgend het pad
dat mijn handen altijd hadden gevolgd.
Maar ook: het pad dat anderen hadden genomen.
Want een lichaam dat liefde heeft gekend
draagt niet alleen sporen van één persoon.
Het draagt sporen van allen die het hebben gekneed:
De moeder die het voedde toen het nog niet zelfstandig kon ademen.
De vader die het optilde toen het nog niet kon lopen.
De broer die het vasthield toen het viel.
De zus die het begreep zonder woorden.
De vriend die het kende in tijden die niemand anders zag.
De mentor die het leerde denken op manieren die het nog niet kende.
De kameraad die naast het stond toen het alleen niet kon staan.
En ik begreep: ze probeerde uit te zoeken
of haar lichaam nog van haar was,
of dat het verzameling was geworden
van allen die het ooit hadden geraakt.
Niet alleen fysiek aangeraakt.
Ook: intellectueel gevormd.
Spiritueel geraakt.
Creatief geïnspireerd.
Want aanraking bestaat in vele vormen.
IV.
獨上蓮舟
Er lag een boot.
Ze stapte erin.
De boot schommelde—
te licht voor één persoon,
gebouwd voor het gewicht van twee.
Maar welke twee?
Een man en een vrouw?
Een moeder en een kind?
Twee vrienden die samen de wereld trotseerden?
Twee geesten die elkaar herkenden over tijd en ruimte?
藕—lotus—艹 (plant) + 偶 (paar).
Structureel relationeel.
Maar 偶 betekent niet alleen: romantisch paar.
Het betekent: twee die bij elkaar horen.
En dat kunnen zijn:
twee die samen filosofeerden tot de zon opkwam,
twee die samen muziek maakten die niemand anders hoorde,
twee die samen vochten voor iets groters dan zijzelf,
twee die samen huilden om wat de wereld verloor.
Automatisch stak ik mijn hand uit.
Die ging dwars door haar heen.
Maar ergens—
ergens voelde ze toch iets raken.
Een kleine stabiliteit.
Alsof de lucht haar vasthield.
Want misschien is dat wat verbinding is:
niet alleen het fysieke vasthouden,
maar het onzichtbare dragen
dat blijft ook als het lichaam weg is.
V.
De boot vond zijn balans.
Niet door haar alleen.
Maar door iets anders.
Het water dat droeg.
De lucht die ondersteunde.
De herinnering aan allen die ooit met haar in een boot hadden gezeten.
Want niemand vaart ooit echt alleen.
Zij die ons droegen varen mee.
Allen die ons leerden balans vinden.
Allen die ons lieten zien dat schommelen
niet betekent dat je zult zinken.
VI.
Ze duwde af.
Overal om haar heen: verwelkte bloemen.
紅藕香殘
Maar kijk nog eens naar dat teken: 殘.
歹 (dood) + 戈 (wapen).
Gewelddadig afgenomen, ja.
Maar ook: wat overblijft na de slag.
Wat niet volledig vernietigd kon worden.
Wat weigert om volledig weg te zijn.
殘—beschadigd, maar nog aanwezig.
En de lotus—
de lotus is verwelkt, ja.
Maar de wortel onder water?
Die blijft.
Onzichtbaar.
Onverwoestbaar.
Dragend.
Ook in de winter.
Ook in de oorlog.
Ook in het verlies.
En in de lente—
in de lente komt de lotus terug.
Niet dezelfde bloem.
Maar uit dezelfde wortel.
VII.
Ze raakte een bloem aan.
Hij viel uit elkaar.
En ze zei: "Drie dagen. Drie dagen maar."
Maar ze vergat iets:
De bloem die valt, voedt de wortel.
De bloem die sterft, maakt ruimte voor nieuwe bloei.
Dit is geen troost.
Dit is geen rechtvaardiging voor verlies.
Maar het is wel waarheid:
Niets verdwijnt volledig.
Alles transformeert.
De moeder die sterft, blijft in het lichaam dat ze in zich droeg.
De vriend die valt, blijft in het denken dat hij met ons vormde.
De zielsverwant die weggaat, blijft in de geest die hij onderweg raakte.
Niet als herinnering alleen.
Maar als structuur.
Als fundament.
Als onzichtbare wortel.
VIII.
雲中誰寄錦書來
De boot dreef.
Ze keek omhoog naar de wolken.
En ik begreep wat ze vroeg.
Niet: stuurt iemand een brief?
Maar: bestaat er nog verbinding
tussen wat leeft en wat gestorven is?
雲—wolken—雨 (regen) + 云 (zeggen, spreken).
Water dat spreekt voordat het valt.
De doden zijn wolken.
We hangen tussen hemel en aarde.
We zijn water dat nog niet gevallen is.
We zijn woorden die nog niet gesproken zijn.
Maar we zijn er.
En soms—
in een bepaald licht,
op een bepaald moment—
zien de levenden ons.
Niet als hallucinatie.
Maar als waarheid:
De verbinding blijft.
Onzichtbaar, zoals de lotuswortel.
Maar dragend.
IX.
Ik probeerde een teken te maken.
De wolken vormden iets dat leek op een vogel.
Misschien een gans.
雁字回時
En ze keek naar de ganzen die overvlogen.
人—twee lijnen die samenkomen, dan divergeren.
Maar kijk wat er gebeurt:
De ganzen vliegen samen.
Dan uit elkaar.
Dan weer samen.
Dit is geen scheiding.
Dit is dans.
En de dans stopt niet omdat één gans valt.
De formatie past zich aan.
Een andere gans neemt de plaats in.
De vlucht gaat door.
Niet omdat de gevallen gans vergeten wordt.
Maar omdat de vlucht groter is dan elk individueel lichaam.
En zo is het met allen die we verliezen:
De broer die viel, blijft in de formatie van hoe we denken.
De zus die wegging, blijft in de vorm van hoe we liefhebben.
De mentor die stierf, blijft in de richting van hoe we vliegen.
We passen de formatie aan.
We nemen hun plaats in.
We dragen wat zij begonnen.
En de vlucht—
de vlucht gaat door.
Niet ondanks hun afwezigheid.
Maar gedragen door wat zij gaven.
X.
花自漂零水自流
Bloemen drijven vanzelf.
Water stroomt vanzelf.
自—vanzelf.
En hier—hier zit de hoop.
Want "vanzelf" betekent niet: zonder bedoeling.
"Vanzelf" betekent: volgens een wet die groter is dan keuze.
De bloemen drijven niet willekeurig.
Ze volgen de stroming.
Het water stroomt niet doelloos.
Het gaat naar de zee.
En de zee—
de zee geeft het terug als regen.
En de regen voedt de lotus.
En de lotus bloeit opnieuw.
Dit is de cirkel.
Niet een gesloten cirkel die gevangen houdt.
Maar een open cirkel die transformeert.
Niets gaat verloren.
Alles keert terug.
Niet hetzelfde.
Maar uit hetzelfde.
XI.
De boot draaide in cirkels.
En ze liet het gebeuren.
Want soms is de cirkel niet het probleem.
Soms is de cirkel de oplossing.
才下眉頭,卻上心頭
Nauwelijks daalt het van de wenkbrauwen,
of het klimt al naar het hart.
Dit wordt altijd gelezen als pijn.
Als obsessie die niet stopt.
Maar lees het opnieuw:
Het daalt niet weg.
Het daalt dieper.
Van hoofd naar hart.
Van denken naar voelen.
Van begrijpen naar weten.
En dan—却—maar toch—上—klimt het.
Niet terug naar het hoofd.
Maar verder naar binnen.
心頭—hart-punt.
Het diepste punt.
En daar blijft het niet stil.
Het blijft bewegen.
Hoofd, hart, hoofd, hart.
Als een hartslag.
Als ademhaling.
Als de maan die wast en daalt.
Als de seizoenen die komen en gaan.
Dit is geen eindpunt.
Dit is eeuwige beweging.
En eeuwige beweging is leven.
XII.
一種相思,兩處閒愁
Eén soort verlangen,
twee plaatsen van ledig verdriet.
Maar misschien is dit niet verdriet.
Misschien is dit herkenning.
閒—門 (poort) + 月 (maan).
Maanlicht dat door een poort valt.
En de maan—
de maan blijft schijnen.
Of er iemand is om haar te zien of niet.
Of er twee zijn of één.
Of er lichamen zijn of alleen geesten.
月滿西樓
De maan vult het westelijke paviljoen.
En het oostelijke.
En het noordelijke.
En het zuidelijke.
De maan vult alles.
En misschien—
misschien is dat de waarheid over verbinding:
Het is niet dat twee mensen elkaar zien.
Het is dat twee mensen hetzelfde licht zien.
En dat licht—
dat licht is groter dan beide.
Het licht komt van vóór hen.
Het licht zal er zijn na hen.
Maar in het moment dat ze beide dat licht zien—
in dat moment—
zijn ze verbonden.
Niet door het lichaam.
Maar door het licht.
En het licht blijft.
Ook als de lichamen vergaan.
XIII.
此情無計可消除
Dit gevoel—er is geen strategie om het te elimineren.
En waarom zou je dat willen?
計—methode, strategie, plan.
We proberen altijd het verdriet te elimineren.
We zoeken strategieën om verder te gaan.
We willen oplossingen voor pijn.
Maar wat als het gevoel niet geëlimineerd hoeft te worden?
Wat als het gevoel—
dit gevoel van verbondenheid met wie niet meer fysiek aanwezig is—
wat als dat gevoel zelf het bewijs is
dat de verbinding transcendent is?
無計可消除
Geen enkele strategie kan het elimineren.
Niet omdat we gefaald hebben.
Maar omdat het niet bedoeld is om geëlimineerd te worden.
Het is bedoeld om gedragen te worden.
Zoals de lotuswortel onder water draagt.
Zoals de maan blijft schijnen.
Zoals het water blijft stromen.
XIV.
才下眉頭,卻上心頭
En het blijft bewegen.
Van hoofd naar hart.
Van hart naar hoofd.
En in die beweging—
in die eeuwige cirkel—
zit het leven zelf.
Want leven is niet: stil zijn.
Leven is: bewegen.
En de doden bewegen met ons mee.
Niet als spoken.
Niet als last.
Maar als richting.
Als vorm.
Als fundament waarop we bouwen.
XV.
Ze peddelde terug naar de oever.
Stapte uit de boot.
Kleedde zich aan.
Liep naar binnen.
Naar mijn lichaam.
Raakte mijn gezicht aan.
Eén keer.
En zei: "Oké. Ik denk dat ik kan blijven ademen."
En ik—
ik als wolk, als lucht, als wat overblijft—
ik begreep:
Dat was genoeg.
Niet: ik laat je los.
Niet: ik ga verder zonder jou.
Maar: ik kan ademen.
En in die adem—
in die simpele, noodzakelijke adem—
zit alles.
Want ademen is leven.
En leven is doorgaan.
Niet ondanks de doden.
Maar gedragen door de doden.
Door de moeder die ons leerde dat ademen mogelijk is.
Door de vader die ons leerde dat vallen geen eindpunt is.
Door de broer die ons leerde dat samen sterker is.
Door de zus die ons leerde dat begrijpen niet altijd woorden nodig heeft.
Door de vriend die ons leerde dat trouw belangrijker is dan gemak.
Door de mentor die ons leerde dat denken grenzen kan overschrijden.
Door de kameraad die ons leerde dat moed niet het ontbreken van angst is.
Door de zielsverwant die ons leerde dat herkenning dieper gaat dan woorden.
Door allen—
allen—
die ons hebben geraakt.