reflecties op literatuur
reflecties op literatuur
一剪梅
Een afgesneden tak pruimenbloesem.
剪 — het teken van het mes,
van ordenen, van precieze ingreep.
Geen willekeur, maar een doelgerichte snede.
Een weloverwogen breuk.
De tak wordt losgemaakt.
Maar kijk wat zich openbaart:
梅 — hout en herhaling.
Boom en telkens weer.
De pruimenbloesem keert terug.
Ook wanneer zij wordt afgescheiden.
Misschien juist daardoor.
De losgemaakte tak kan elders wortel schieten.
Kan opnieuw uitlopen.
Kan zich vermenigvuldigen.
Van generatie op generatie.
Scheiding betekent niet het einde.
De snede is geen vernietiging,
maar een vorm van verspreiding.
Zo is het met wie wij verliezen:
het lichaam verdwijnt,
maar wat werd geplant,
zet zich voort.
In ons.
Door ons.
Via ons.
Wij zijn de afgeknipte twijgen
die een andere bloei mogelijk maken.
藕斷絲連
In het Chinees bestaat de uitdrukking:
藕斷絲連
De lotuswortel wordt doorgesneden,
maar fijne vezels blijven beide delen verbinden.
Wie goed kijkt, ziet ze:
bijna onwaarneembaar,
maar niet te verbreken.
Zo is het met werkelijke verbondenheid.
Je kunt de bloem verwijderen.
Je kunt een lichaam verliezen.
Je kunt afstand creëren —
kilometers, grenzen, jaren.
Je kunt zelfs de dood ertussen plaatsen.
Toch blijven de vezels bestaan.
Niet zichtbaar.
Dunner dan zijde.
Sterker dan metaal.
Negen eeuwen later, op Nieuw-Zuid,
lezen wij dit gedicht.
Ogenschijnlijk gaat het over een man en een vrouw.
Maar in wezen spreekt het over elke vorm van verbonden zijn:
De moeder die je droeg vóór adem mogelijk was.
De vader die je optilde vóór je kon stappen.
De broer of zus met wie je een wereld deelde zonder woorden.
De vriend die je zag toen niemand anders keek.
De leermeester die je denken openbrak.
De metgezel die bleef toen alleen staan onvoldoende was.
De zielsverwant die je herkende voorbij taal en tijd.
En het spreekt over elk loslaten:
door overlijden,
door afstand,
door beslissingen,
door tijd,
door verandering.
Het raakt aan de vraag die ons allen bezighoudt:
hoe blijf je nabij
wanneer vasthouden niet langer mogelijk is?
Het antwoord dat dit gedicht suggereert
is niet eenvoudig.
Maar het bestaat.
Het ligt besloten in de tekens zelf:
藕 — relationeel van structuur.
Onthechting is geen absolute mogelijkheid.
梅 — terugkeerend van aard.
Wat wezenlijk is, keert terug in een andere gedaante.
花自漂零水自流 —
alles beweegt volgens een orde
die groter is dan verlies.
才下眉頭,卻上心頭 —
de beweging komt niet tot stilstand;
in dat voortdurende verschuiven
schuilt het leven zelf.
月滿 —
het licht blijft aanwezig,
ook wanneer lichamen verdwijnen.
En vooral:
香殘
De geur is weggenomen — ruw, onherroepelijk.
Maar weggenomen betekent niet: uitgewist.
殘 is wat resteert na de slag.
Wat gehavend is, maar niet verdwenen.
Niet het lichaam.
Niet de stem.
Niet de aanraking.
Wel:
de vorm.
de richting.
de dragende structuur.
De onzichtbare lotuswortel
die blijft ondersteunen
wanneer de bloem verwelkt.
才下眉頭,卻上心頭
Van het voorhoofd
naar het hart.
Negenhonderd jaar verstreken —
en nog altijd daalt het.
Maar nu wordt duidelijk
wat Li Qingzhao werkelijk schreef:
Geen elegie over eindeloze pijn,
maar een tekst over voortgezette nabijheid.
Loslaten blijkt geen verbreking,
maar een gedaanteverwisseling.
Van tastbaar naar onzichtbaar.
Van lichaam naar geest.
Van aanraking naar oriëntatie.
In die verschuiving —
in die overgang van vorm naar essentie —
ontstaat hoop.
Want wat kan veranderen,
kan ook grenzen overstijgen.
Tijd.
Ruimte.
Sterfelijkheid.
花自漂零水自流
Bloesems laten zich meevoeren.
Water volgt zijn loop.
Beschavingen herontstaan.
Samsara*.
*Derde Nabeschouwing.